Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Joost Zwagerman: Wakend over God. (2016) Amsterdam: Hollands Diep

Isbn 978 90 488 2965 1, €19,99, 92 blz.

 


 

 

 

Geen voor zichzelf gecomponeerd requem  |

 

 

 

In de film Dead Poets Society gaan verschillende sleutelscènes over het belang van poëzie. Logisch, met zo’n titel. Bijvoorbeeld als leraar John Keating zijn leerlingen om zich heen verzamelt en uitlegt dat hun toekomstige academische studies, geneeskunde, economie, rechten, natuurlijk wel belangrijk zijn om te kunnen overleven in onze complexe maatschappij. Maar dat schoonheid, passie, poëzie de dingen zijn die dat leven de moeite waard maken. En daar kom je alleen maar als je bereid bent om de gebaande paden te verlaten. Dat brengt soms enig risico met zich mee. Zie hoe slecht het afloopt met de beer en de kater als ze zich ‘buten weghe’ begeven om Reinaert de Vos te zoeken. En zie ook de zelfmoord van Neil Perry in Dead Poets Society als hij na een kortstondige toneelcarrière door zijn vader terug in het gareel gedwongen wordt. Maar desondanks blijven de onbegane paden lokken, indachtig de aansporing van de Amerikaans dichter Robert Frost: ‘Two roads diverged in a wood, and I – I took the one less traveled by. And that has made all the difference.’

Een andere leerling van John Keating neemt de vrijheid wat joliger op en confronteert de strenge rector in een volle aula met een telefoontje van God: ‘Mr. Nolan, it’s for you. It’s God.’ En zo kent de film meer memorabele momenten. Maar hoe actueel is Dead Poets Society nog voor leerlingen anno 2016? Het is immers al best een oude film (27 jaar), hij speelt in een nog veel grijzer verleden (zo’n zestig jaar terug) en de hoofdrolspeler is ook al enkele jaren dood – (niet) toevallig eveneens door zelfmoord.

Ik moest aan die scène met die telefoon denken toen ik het openingsgedicht las van Joost Zwagermans laatste bundel Wakend over God. Het heet ‘Contact’ en daarin wordt het lyrisch-ik regelmatig opgebeld, waarna het aan de andere kant stil blijft.

 

De display toont een nummer

met de code van een land dat ik niet ken.

Ik toets terstond, een voicemail klinkt.

‘Hallo met God, Ik ben er niet.

Laat naam noch boodschap achter,

Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,

wacht desnoods tot piep, maar zwijg.’

 

[…]

 

Ooit bel ik Hem terug en zeg dan

wél iets na de piep. Dat doe ik niet meteen.

Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.

 

Die dag is nu, contact is hier. Ik toets

het nummer in. Krijg geen gehoor. Hij was me

voor. Hij heeft mijn nummer ingesteld.

 

Waarmee de toon voor de bundel gezet is. Een diffuse, ongrijpbare God en het lyrisch-ik draaien om elkaar heen in een haast rituele dans, waarin zij beurtelings lijken te verdwijnen. Het gedicht ‘Klaar’ begint met een stellig ‘Al vroeg had ik het wel gehad met God’, waarna, haast obligaat, Buchenwald, Treblinka, Auschwitz-Birkenau en Anne Frank als getuigen à charge op komen draven. Wellicht een beetje makkelijk argument. Het kost immers weinig moeite om niet in zo’n God te geloven. Ook de slotstrofe komt hier niet als een verrassing: ‘God moest echt uit mijn bestaan gewist, / uit naam van Elckerlyc, uit naam van Anne Frank.’

In de gedichten rondom ‘Klaar’ vinden we wat poëtische overwegingen over de alomtegenwoordigheid van God, verzen waarin de formulering de inhoud nogal eens overvleugelt. Maar dan slaat de bundel onverhoeds toe: in twee korte gedichten krijgt God een heel eigen invulling. Allereerst het poëticale ‘Tien’.

 

Tien geboden zijn het maar.

Goedbeschouwd niet eens zoveel.

Op twee tafelen, ooit stukgegooid,

daarna ingekerfd door Gods hand.

 

Poëzie: het nooit toereikende gebaar.

Gods zinnen die ik onmachtig streel.

Pas wanneer mijn as wordt uitgestrooid

voelt God mijn diepste binnenkant.

 

En ineens krijgen die voortkabbelende gedichten vóór ‘Tien’ een betekenis: die van stilte voor de storm. Vorm, inhoud én plaats ineen. Want in ‘Tien’ maakt de hierboven gesignaleerde rituele dans een bijzondere draai, waarin de dansers binnen drie regels in elkaar overgaan. Eerst is er nog die ‘ik’ die Gods zinnen onmachtig streelt, er met andere woorden niet in kan doordringen. Pas later (‘wanneer mijn as wordt uitgestrooid’) lukt dat wel. Alleen is het dan ineens God die in de ‘ik’ doordringt in plaats van andersom. Het volgende, nog kortere gedicht gaat nog een stap verder:

 

Dood

 

God, Die eenzaam is,

Zichzelf verafschuwt,

in een impuls zelfmoord pleegt,

omdat Hij Zijn aanstaande

schepping vreest.

 

God, in één keer dood door eigen hand.

Dat moet de oerknal zijn geweest.

 

God die zelfmoord pleegt, verwijst niet alleen naar iedereen die creatief en destructief voor de ‘road less traveled by’ heeft gekozen, zeg maar naar Neil Perry uit Dead Poets Society, maar ook en met de kennis van nu, naar de schepper van deze teksten. Een anachronisme van jewelste, ik geef het toe. Maar toch is ‘Dood’ geen somber gedicht. Na de zelfgekozen dood volgt immers de oerknal, een heel nieuw begin. Zo bezien is het niet vreemd om (de dood van) God als bron van alle kunst te zien. Dat komt mooi terug in het gedicht ‘Meester’ als leerlingen antwoord geven op de vraag ‘Wanneer is iets kunst?’ De antwoorden lopen uiteen en zijn allemaal fout: ‘Als iets mooi is’, ‘Als het een beetje cool is’, ‘Als je in een museum bent’, om de minst foute maar even te noemen. Het enig juiste antwoord doet niet mee, omdat ‘jij’ (een variant op de ‘ik’ uit de andere gedichten) net even op de gang staat. Het luidt: ‘Als God Zijn zegen geeft.’ Omdat ‘ik’ en ‘God’ inmiddels twee elkaar overlappende grootheden zijn geworden, is hier geen speld tussen te krijgen: iets is kunst, als ik het kunst vind.

 

Ook het één na laatste gedicht vraagt nog om een korte toelichting. Zonder alle voorafgaande overwegingen lijkt het een tamelijk morbide afscheidsvers. Maar het is meer – of liever: het is minder. Laten we de tekst er even bij pakken. Het gedicht heet ‘Lief’.

 

Mijn lief, wees alsjeblieft

heel lief voor mij, nu God

mij denkelijk heeft uitgewist.

Mijn lief, blijf alsjeblieft

heel dicht bij mij. Misschien

word ik door God gemist.

 

Mijn lief, vertrouw ook

nu op mij. Ik ben niet weg,

God ademt mij. Mijn lief,

wees alsjeblieft heel lief

voor mij. Misschien heeft God

Zich in mijn dood vergist.

 

Dat klinkt allemaal heel devoot en riekt erg naar een geloof in een leven na de dood. Maar wat als ‘God’ nu eens niet het opperwezen is, waarvan de ‘ik’ immers al in het begin van de bundel afscheid heeft genomen? Wat als ‘God’ en ‘ik’ twee delen van hetzelfde geheel zijn? ‘Ik’ als mens van vlees en bloed en ‘God’ als het scheppend vermogen van diezelfde mens? Dan is het allemaal niet zo fataal en zit de vroegtijdige dood van Zwagerman een minder dramatische interpretatie opeens gruwelijk in de weg. Ik lees in deze regels namelijk (ook) de vraag aan een geliefde om toch vooral koesterend dichtbij te blijven. Zelfs als de ‘ik’ er met zijn gedachten even niet bij is, omdat hij nou eenmaal van tijd tot tijd voor God moet spelen – en kunst moet maken.

Wakend over God is derhalve niet Zwagermans voor zichzelf gecomponeerd requiem. Maar wel een monument dat hem volledig recht doet. In Dead Poets Society nemen de leerlingen afscheid van hun ontslagen leraar met de woorden waarmee de dichter Walt Whitman ooit eer betoonde aan de vermoorde president Lincoln: ‘O Captain! My Captain!’ Een saluut dat ook hier zeker niet misstaat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |