Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Kira Wuck: Finse meisjes. (2012) Amsterdam: Uitgeverij Podium

Isbn 978 90 5759 545 5, €15,00, 54 blz.

 


 

 

 

Finse meisjes slaan je om je oren  |

 

 

 

Soms blijft een bundel net iets te lang liggen. Niet dat er iets mis mee is, integendeel. Maar het momentum is opeens gewoon voorbij. En dan is het wachten op een nieuwe kans. Maar die komt vaak pas als er iets treurigs gebeurt, als de dichter doodgaat of zo. Gelukkig hoeft het niet altijd zo tragisch te gaan. Zoals bij de bundel Finse meisjes van Kira Wuck, in 2012 op grote afstand de beste Nederlandstalige bundel van het jaar (Hallo GSB-poëzieprijsjury, hebben jullie zitten slapen!).

Omdat Wuck binnenkort voor de tweede keer debuteert, dit keer met de verhalenbundel Noodlanding, zie ik mijn kans schoon om nog even op haar poëziedebuut terug te komen.

Eén van de complimenten die de dichter ten deel vielen, kwam van Arnon Grunberg. Die had het over ‘zinnen die ik wil lezen voor het slapengaan’. En inderdaad, Finse meisjes bevat heel wat zinnen die je bijblijven, lang nadat het omringende gedicht zich heeft teruggetrokken in de krochten van de herinnering. Een kleine bloemlezing:

‘de meeste dingen gebeuren tijdens iemands afwezigheid’, ‘Mijn moeder is verliefd op mijn logopedist / ze komt het huis niet uit behalve voor mijn spraaklessen’, ‘De leukste mannen eten hun biefstuk rauw’, ‘Waar praten we over als we / het liever niet over onszelf hebben’, ‘Doe iets nuttigs / koop een kamerplant’, ‘De tijd gaat sneller als je af en toe een plant verschuift’, ‘Eenzaamheid ruikt naar kalfslever in een ovenschaal’.

Het zijn stuk voor stuk zinnen die zó op een heel erg wrang Delftsblauw tegeltje kunnen, wijsheden die je bijblijven en waar je nog eens wat aan hebt als op een feestje de conversatie stokt. Maar daar gaat het in de poëzie niet om, en in deze bundel al helemaal niet.

 

Vroeger had ze een kat die te bol werd om te rennen

ze breidt nog steeds truitjes en zoekt zijn haar

de televisie staat aan, maar meestal op een tussenkanaal

ze noemt het uitzicht

 

Ze kijkt naar de foto op het nachtkastje

een magere man met spitse oren

hij zorgt dat ze haar gebedjes niet vergeet

ze draait zijn gezicht naar de muur

de verpleegster draait hem bij het afstoffen terug

 

Nog voordat de maan vertrokken is

kijkt ze hoe de bruine prut in de kan druppelt

de stad is klein door haar raam

ze is er in drie stappen vanaf de keuken

 

Dit gedicht over een uitzichtloos bestaan heet ‘Uitzicht’, een titel die het allemaal nog schurender maakt dan het is. Het voert een leven op dat balanceert op de uiterst smalle grens tussen verbeelding en werkelijkheid, een leven waarin het bruisende bestaan (‘de stad’) slechts drie stappen verwijderd is van de keuken, maar dat uiteindelijk niets meer blijkt te zijn dan een ingekaderd beeld achter vensterglas. Haar leven bestaat uit talloze tegenstellingen tussen hoe het is en wat zij wil. De kat, de truitjes, de foto, antithesen die zo mooi en heel subtiel hun beslag krijgen in de woorden ‘zijn haar’ in regel 2. Dit gedicht, uit de cyclus ‘Familie’, kondigt een erfelijke belasting aan, die de hele bundel door dreunt. Indringers zijn gewaarschuwd.

De tweede cyclus, ‘Wasdagen’, gaat over een opbloeiende relatie en eindigt met een gedicht met de veelzeggende titel ‘Oogsten’.

 

De tijd gaat sneller als je af en toe een plant verschuift

in de winter heb ik beweegredenen nodig

niets is hier voorbestemd

maar alles gaat geleidelijk

 

dit ben ik in het oudst van de nacht

en ik waarschuw je alvast, ik word vaak verliefd

 

ik herken je voordat je jezelf herkent

(je past goed bij mijn behang)

er zijn huizen waarin je beter gedijt

 

we roken gaten in het bankstel

als je er nog bent als ik me omdraai

 

dan ga je niet meer weg

 

 Dat wordt dus een relatie waar geen ontkomen meer aan is, een gevangenschap tot de dood er op volgt. Of de dooi. ‘Je komt niet weg voordat alles ontdooit […] Soms hakt er iemand een wak in het ijs / om te kijken of hij nog leeft’ heet het wat verderop in de bundel. De ‘ik’ die (uitzonderlijk mooi ambigu) ‘beweegredenen’ nodig heeft, waarschuwt de nieuwkomer. Op trouw hoeft hij niet te rekenen, en ook de eigen wil kan ingeleverd worden. De mysterieuze ‘ik’ oefent haar macht uit zonder enige schroom. Wat is dit voor wezen? Is het een heks? Een voorchristelijke tovenares? Nee, het is (de titel verraadt het al) een Fins meisje.

 

Finse meisjes zeggen zelden gedag

maar zijn niet verlegen of arrogant

je hebt alleen een beitel nodig om dichtbij te komen

ze bestellen bier voor zichzelf

reizen de hele wereld af

terwijl hun mannen thuis wachten

als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm

 

Overwinteren doen ze op een bank onder de sneeuw

als het lente wordt laten ze zich vollopen

om de laag beschaving van hun huid te krabben

ze hangen rond in bushokjes

en soms naakt in een meer

 

In de nachtbus zetten ze hun tanden in de rubberen stoelleuning

als ze niet in slaap gevallen zijn

 

‘Finse meisjes zijn niet voor de poes’ schreef Albert Hogeweij in een recensie. Ik weet dat niet, zelfs niet na het lezen van deze prachtige bundel. Wat ik wel weet is dat deze gedichten niet voor de poes zijn. Ze brengen de lezer uit balans zoals alleen goede gedichten dat kunnen. Een voorbeeld, van het gedicht ‘Sri Lanka’ luidt de derde strofe:

 

iemand is een vriend als hij

blijft nadat je hem vooruitbetaald hebt

er zijn verschillende manieren om een stad te zien

een daarvan is kotsend in een riksja

 

En wat een strofe! Niet alleen buitelen de beelden al te plastisch over elkaar, de ongerijmdheid van de twee mededelingen laat de lezer bovendien door twee enkels tegelijk zakken. Als een ‘Fins meisje’ zoals ik de gedichten maar ben gaan noemen, je zo om de oren slaat, dan heb je dat als lezer misschien ook wel verdiend. Pas in de laatste regel van het allerlaatste gedicht wordt de betovering – een beetje – verbroken. Het heet ‘Vertrek’ en het lucht op.

 

Op de nachtpont spelen trompetten

de wind blaast resten uit mijn haar

handen grijpen ramen vast die maar niet dicht willen gaan

 

Een jongen op de oever zwaait mij wild gedag

ik ken jou niet, zeg ik

jawel zegt de jongen

we halen er een spiegeltje bij

als het niet beslaat –

dan ben je vertrokken

 

Kira Wuck is een dichteres die de lezer overmant, boeit en niet meer loslaat. Ik kijk uit naar haar prozadebuut.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |