Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Nachoem M. Wijnberg: Het leven van

Contact, Amsterdam/Antwerpen 2008,

80 blz. € 19,95

isbn 978 90 254 2968 3

 

 

 

 

Verhaaltjes die gedichten worden  |

 

 

Bij de allereerste schrijflesjes in de eerste klas (ja, ik ben nog van de klassenmaatschappij, maar het zal tegenwoordig in groep 3 niet anders zijn) mocht het nog: elke zin op een nieuwe regel beginnen. Maar in mijn herinnering werd daar toch al snel korte metten mee gemaakt. Sommige zinnen horen nou eenmaal meer bij elkaar dan andere. En beginnen op een nieuwe regel is strikt voorbehouden aan zinnen die daadwerkelijk iets nieuws te melden hebben. Helemaal fout was dus:

 

Ik sta op de taxistandplaats voor het station en zeg dat ik een meisje zoek, iemand vraagt hoe zij eruitziet.

Zij heeft lang blond haar.

Dan zou ik snel verder gaan zoeken.

Ik heb een auto geleend om haar van het station af te halen, maar de trein kwam te vroeg en toen ik op het perron stond was het al leeg.

Misschien heeft zij een taxi genomen naar mijn huis, om mij te verrassen, ik zou maar snel naar huis gaan.

 

Een beetje schoolmeester krijgt hier beslist kramp van in zijn tenen. Maar wat nu, als ik er bij zeg dat dit geen onbeholpen opstel van een leerling is, maar het begin van het gedicht ‘Afhalen, opgeven’ uit de dichtbundel Het leven van van Nachoem M. Wijnberg? En helpt het als ik verklap dat alle 65 gedichten uit de bundel in deze prozaïsche stijl zijn geschreven? En dat de bundel Het leven van onlangs bekroond is met de VSB-poëzieprijs, de belangrijkste literaire prijs voor Nederlandstalige poëzie?

Natuurlijk ben je als lezer van literatuur niet klaar als je alleen maar de tekst tot je hebt genomen. Bij goede literatuur gaat het echte werk dan pas beginnen. Dat geldt voor verhalen, maar meer nog voor gedichten. De gedichten van Wijnberg lijken weliswaar op glasheldere verhaaltjes, maar er is meer mee aan de hand. Als verhaaltjes voldoen namelijk ze niet echt. Want hoewel er geen misverstand kan bestaan over wat er staat (ontoegankelijk zijn ze niet), hebben ze toch iets onafs. En daardoor soms ook iets verontrustends. Kijken we bijvoorbeeld eens naar het gedicht ‘De Christen komt op bezoek’, niet in de laatste plaats omdat de VSB-jury er de loftrompet zo over stak. Eerst even een kort citaat:

 

Mijn grootvader staat in zijn tuin als de Christen op bezoek komt.

Hij kan zien hoe goed het met zijn buren gaat die in Jezus Christus geloven.

Mijn grootvader zegt dat het met hem toch ook goed gaat.

Dat is vooruitbetaling, zegt de Christen, omdat Jezus Christus aanneemt dat een man als mijn grootvader later in hem zal gaan geloven.

 

De bezoekende Christen heeft zijn antwoord duidelijk klaar. En dat blijft zo. Zelfs als hij daarvoor zijn geloofsgenoten moet afvallen. Want als hij, aan het eind van het gedicht, het zwakke geloof van de buren moet verklaren, heet het:

 

Het zijn domme mensen, zegt de Christen, als Jezus Christus geen medelijden met hen zou hebben zouden zij op straat zitten en verhongeren.

 

Zo’n bekeringstactiek is niet alleen wrang, maar ook vermakelijk, al blijft ik als lezer wel met een onbehaaglijk gevoel achter. En met een paar vragen, wat altijd meegenomen is bij goede poëzie. En dan bedoel ik niet alleen vragen naar het werkelijkheidsgehalte van de tekst.. Ik weet ook wel dat je zulke mensen in het echt ook hebt. Maar ik blijf ook met vragen over het gedicht zelf zitten. Waarom zegt deze Christen dat tegen deze grootvader, bijvoorbeeld. En, nog belangrijker misschien, wat heb ik daarmee te maken? Waarom moet ik dat weten? Meteen al schieten mij een stuk of vijf antwoorden te binnen (‘om mij te wapenen tegen de boze buitenwereld’), maar die brengen ook weer hun eigen vragen mee. Geen vragen waar je ontzettend geleerd voor moet zijn, maar gewoon dezelfde vragen waar ik ook al mee worstelde toen ik zestien was. Vragen naar de zin van alles.

Geven de gedichten dan geen enkel antwoord? Ja, er staan een paar piepkleine aanzetjes tot een antwoord. Zo eindigt een gedicht met ‘Maar verreweg het beste is een meester van de metafoor te zijn’ en een ander met ‘Achter vanochtend maakt de ochtend zich klaar wanneer de regels alles zijn wat ik heb.’ Poëticale antwoorden op poëtische vragen. Het duidelijkst gebeurt dat in een gedicht dat ‘Over het water’ heet. Er is sprake van een ‘ik’ en een ‘jij’. Ze zijn op zee en als het begint te stormen gebiedt ‘jij’ de storm te gaan liggen, waarna het  water stil wordt. Daarna stapt ‘jij’ uit het schip en loopt over het water. Als ‘ik’ dat ook probeert en dreigt te verdrinken, redt de ander hem door hem weer aan boord te trekken. Waarna de laatste zin luidt:

 

Misschien is er geen verklaring voor alles wat er gebeurt, maar voor alles wat ik jou vertel moet jij of ik een verklaring kunnen geven.

 

En die verklaring gaat niet alleen over de (on)mogelijkheid om over water te lopen, maar eerst en vooral over alles wat verteld wordt (‘voor alles wat ik jou vertel’). Zo vormt deze zin niet alleen de afsluiting van een ‘verhaaltje’ vol verwijzingen naar een bijbelverhaal. Nee, het is een zin die van het verhaal een gedicht maakt. Voor alles wat de tekst mij vertelt, zal ik een verklaring moeten geven. En dat kan vanzelf alleen maar mijn verklaring zijn. Een verklaring die verder niets met het Nieuwe Testament van doen hoeft te hebben. Maar wel met het leven zoals zich dat aan mij voordoet. Of aan iemand van zestien, zeventien jaar. Want Het leven van is dan misschien geen conventionele dichtbundel, aan wie bereid is zich ervoor open te stellen, heeft hij zeker iets te zeggen. Dat geldt zowel voor ons als voor onze bovenbouwleerlingen.