Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Menno Wigman: Slordig met geluk. (2016) Amsterdam: Prometheus

Isbn 978 90 466 2363 5, €14,95, 64 blz

 


 

 

 

Poëzie zonder puntjes op de i  |

 

 

 

Dichterschap en hectiek, dat gaat meestal niet goed samen. Bij dichten stellen we ons toch iets anders voor dan voortdurend achter de actualiteit aan hollen. Sommige dichters is het wel gegeven hoor. Die staan vooraan als er iets gebeurt en rennen vervolgens alle media langs om te spuien wat ze daar van vinden. Het Dichterschap des Vaderlands was Ramsey Nasr destijds op het lijf geschreven. Ik moet me sterk vergissen als hij niet de meest productieve poëet in het hele rijtje tot nu toe was. Bovendien was hij met angstwekkend grote regelmaat in alle vaderlandse talkshows te zien om minder ruimdenkenden bevlogen de les te lezen.

Hoe anders was dat bij de uitvinder van het nationale dichterdom, Gerrit Komrij. Die bezag het nijvere gekrioel der Lage Landen vanuit het veilig ver weg gelegen Portugal. En dan nog gaf hij er vroegtijdig de brui aan. Want een beetje dichter, en zeker een romanticus als Komrij, heeft meer dan genoeg aan zichzelf.

Ook stadsdichters hebben hier wel onder te lijden. Niet voor niets memoreert Menno Wigman zijn Amsterdamse stadsdichterschap als ‘twee koortsachtige jaren’. Hij doet dat op het achterplat van zijn recente bundel Slordig met geluk. Waarna hij vervolgt met: ‘Nog geen halfjaar later spoelde hij met een mysterieuze hartkwaal op de intensive care aan. “Twee weken in mijn eigen graf gekeken,” heet het in een gedicht.’ En hij trekt hiermee een kaarsrechte lijn tussen de hartkwaal en die koortsachtige jaren. Want het is maar dat wij het weten: dat drukke bestaan in het centrum van de plaatselijke actualiteit, da’s toch eigenlijk niks voor een dichter.

Wigman is, net als Komrij, een romanticus. Na het drukke stadsleven komt de twijfel. Wat heeft het leven, de liefde, de poëzie hem eigenlijk gebracht? In ‘Dingen die je niet zegt’ houdt hij één aspect van zijn leven tegen het licht:

 

Jij, hier, in je vierenveertigste winter, jij,

gekwetst, gekwetst en ziek van gore jaloezie:

houd je nog steeds de wacht bij je verdriet?

 

Je drinkt en drinkt en sleept maar dames naar je bed

en krijgt haar nooit lang uit je hoofd. Een teek is ze,

ze heeft je huid, een teef. Maar: zij is zij.

 

Dingen die je niet zegt. Het bed waarin zij nu.

Zijn bril. Haar mond. Niet weer die slecht gefilmde pijn.

Blijf scherp. Zo kostbaar kan een kut niet zijn.

 

Het is getob dat de lezer (althans deze lezer) niet zo erg kan boeien. Weinig beelden, weinig vragen. Weinig, kortom, wat de noodzaak van poëzie onderschrijft. Meer dan wat er staat, staat er niet. En dan komt vanzelf de vraag boven: als je precies dit wil zeggen, waarom doe je dat dan in een gedicht? Goede poëzie daagt de lezer alleen al door de vorm uit om met de geboden woorden aan de slag te gaan. Bij een gedicht als het bovenstaande, blijft de lezer dan met wel erg lege handen achter.

Gelukkig staan er ook goede gedichten in de bundel. De twee openingsgedichten ‘Herostratos’ en ‘Rien ne va plus’, bijvoorbeeld. Ik citeer het eerste helemaal (Herostratos was een Griek die in 356 v.Chr. een tempel in brand stak, om zo eeuwige roem te verwerven):

 

Er tikken pissebedden in mijn hoofd.

Ze naaien mijn gedachten op.

Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,

zo hevig en dramatisch dat mijn naam

in alle kranten komt te staan.

 

Napoleon, las ik, was kleurenblind

en bloed was voor hem groen als gras.

En Nero, die bijziend was, hield het spel

in zijn arena bij door een smaragd.

 

Nu even stilstaan. Moet je horen: ik

ga straks de straat op, ik besta het, schiet

me leeg en verf de feeststad groen.

 

Nog voor het eind van het festijn

zal ik de grootste zoekterm zijn.

 

Ik las dit gedicht op de dag nadat in Engeland het parlementslid Jo Cox werd doodgeschoten door een man wiens naam vervolgens ook door alle media klonk. Dat helpt misschien. Maar het nodigt ook uit tot een te beperkte interpretatie. Want draait het hier wel om moord? ‘Ik […] schiet me leeg’ is toch net iets anders dan ‘ik schiet mijn pistool leeg’. Nee, de Herostratos die hier spreekt, zoekt een andere weg naar onsterfelijkheid. Met het aantal regels per strofe telt hij af: Vijf, vier, drie, twee. En in de laatste strofe verschijnt voor het eerst dat onmiskenbaar mannelijke volrijm. Bovendien presenteert de tweede strofe, waarin Napoleon en Nero figureren, zich als het zwarte spiegelbeeld van ‘De Wandelaar’ van Nijhoff. Daarin verschijnt op soortgelijke wijze een aantal kunstenaars ten tonele (‘Dichter in de tijd van Baudelaire’). Als je er zo naar kijkt is ‘Herostratos’ veel meer poëzie dan het verhaaltje suggereert.

In het tweede gedicht, ‘Rien ne va plus’, komt de Franse dichter bovendien echt op de proppen: ‘Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij. / Maar je wilde dichter worden, melkt de woorden van / Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep / onder vijandig licht.’

De zestienjarige weet hoe hij succes zal hebben, in het leven en bij de meisjes. ‘Je bent dichter nu en haast elk meisje / trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.’

Dat dat twintig jaar later allemaal nogal tegenvalt, tekent de romantische aard van de dichter:

 

En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,

door poëzie van alles om je heen vervreemd,

nu kijk je naar je hand en spuugt op je pen.

Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?

Had je maar nooit een gedicht gezien.

 

Die laatste regel verwijst naar een uitspraak van Slauerhoff en is ook als motto aan dit gedicht meegegeven. Je kunt je bij dit slot opnieuw afvragen of de dichter hier niet te veel weggeeft. Had hij die drie vragen bijvoorbeeld niet aan de lezer moeten laten? Was het met één regel minder niet meer poëzie geweest? Ik houd er niet van om een dichter op zijn vingers te tikken, maar ik had hier als lezer toch liever zelf het initiatief gehouden.

Dan zijn regels als ‘Vrijdag. Hij had niet Schopenhauer zitten lezen. / Hij dacht niet aan dood en niet aan later’ veel overtuigender. Regels als deze jagen de lezer zélf de vraagstand in. Hoezo heeft hij Schopenhauer niet gelezen? Wat dan wel? Heeft hij überhaupt wel zitten lezen? Wat moet ik met deze mededeling? Waar dacht hij dan wel aan? Enzovoort. Twee regels die meer vragen stellen dan de tekst had durven bevroeden. Zulke regels maken een gedicht onbetaalbaar, zelfs al volgt meteen daarna een succesagenda-uitspraak als ‘Drinken is doodgaan en weer opstaan uit de dood.’ Mooi hoor, daar niet van. Maar helaas staat er opnieuw niet meer dan wat er staat.

Slordig met geluk van Menno Wigman mocht zich kort na het verschijnen, verheugen in een flink aantal positieve recensies. En terecht, want Wigman is een goed dichter. Maar soms is het nodig dat iemand even de puntjes op de i zet – liefst de dichter zelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |