Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Riekus Waskowsky: Slechts de namen

der grote drinkers leven voort.

Opgenomen in Rotterdam (2012) Amsterdam: Lebowski Publishers. Isbn 978 90 4881585 2,

€29,90, blz. 273-331

 

 

(eerste druk - 1968)

 

 

 

De intellectuele kant van popart  |

 

 

Soms bedenken uitgevers hun lezers met een alleraardigste verrassing. En dan verschijnt er geheel onverwacht een zeer ten onrechte in de vergetelheid geraakte poëziebundel plotsklaps opnieuw. Zo is de bundel Slechts de namen der grote drinkers leven voort van de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky voor een belangrijk deel opgenomen in Rotterdam van uitgeverij Lebowski. Rotterdam bevat meer surprises, een nieuwe aflevering van het in 1966 ter ziele gegane roemruchte tijdschrift De nieuwe stijl bijvoorbeeld. En ook werk van C.B. Vaandrager, Robert Loesberg en A. Moonen om nog maar een paar namen te laten vallen. En dus ook Riekus Waskowsky.

 

Slechts de namen der grote drinkers leven voort (1968) was zijn tweede bundel na Tant pis pour le clown uit 1966. Beide bundels werden destijds lovend besproken en Waskowsky stond te boek als een van de meest vernieuwende popartdichters van Nederland. Toch is die lof maar ten dele terecht, want zijn poëzie behelst meer dan alleen popart. Waskowsky koppelde een bewonderenswaardige eruditie en een tamelijk intellectuele levenshouding aan de erg rechtstreekse aanpak van de Rotterdamse kunstwereld. Dat maakt zijn dichtkunst op een bedrieglijke manier toegankelijk. De cyclus ‘The doors of perception’ bestaat bijvoorbeeld uit acht korte gedichten van één of twee regels, die helemaal lijken aan te sluiten bij popart van de jaren zestig:

 

Je kan niet 2 x hetzelfde zien,

zegt Herakleitos.

 

Maar als je lazerus bent, zie je het dubbel.

 

[…]

 

Als je niet kijkt zie je het

niet

 

Als je high bent twijfel je er soms aan

 

Als het niet bestaat zie je het

ook niet.

 

Het ligt er dus maar net aan

hoe je het bekijkt.

 

In dit soort gedichten zie je de Rotterdamse traditie van Vaandrager en Armando terug. Na een aantal als ready mades gepresenteerde open deuren, stelt het gedicht de lezer aan het slot toch nog voor een vraag. ‘Het ligt er dus maar net aan / hoe je het bekijkt’ is natuurlijk ook een staande uitdrukking, maar het is tevens een opmerking die al het voorgaande op losse schroeven zet.

Maar voor een goed begrip van de verzen is ook enig inzicht in Waskowsky’s belezenheid gewenst. De dichter begreep dat zelf kennelijk ook en heeft de bundel daartoe van een paar bladzijden met ‘Aantekeningen’ voorzien. Hij is daar, naar eigen zeggen, toe over gegaan toen een afgestudeerd neerlandicus hem na het lezen van het gedicht ‘Elfde elegie’ vroeg wanneer hij die eerste tien elegieën dan geschreven had. Voor Waskowsky was het vanzelfsprekend dat iedereen begreep dat dat de tien Duineser Elegien van Rilke waren. In die aantekeningen lezen we ook dat hij de titel ‘The doors of perception’ via Aldous Huxley aan Herakleitos heeft ontleend en worden ook andere verwijzingen toegelicht. Maar lees wel eerst de gedichten en daarna pas de aantekeningen! Uitleg of toelichting maakt poëzie immers zelden beter. Bijvoorbeeld:

 

Çakuntala?

 

‘Je moet niet zo kietelen’ zei je toen ik

om hem niet te vergeten je naam

in zweetdroppeltjes onder je borsten

wou schrijven.

 

‘Ga nou door – toe nou!’ zuchtte je al

bij de 2de letter.

 

De trein naar de sneeuwplaats

vertrok om 13u15 van Milano Centrale; ik las

een dwaas verhaal over een tovenaar enzo

die van de liefde een blackout maakt.

 

Dit gedicht, zo meldt de dichter, is ontleend aan een thema uit de Mahabharata. Maar ook zonder die intertekstuele wetenschap zit het vol met prachtige beelden. Hoe de vergeetachtigheid van de ene minnaar, de opwinding van de andere veroorzaakt bijvoorbeeld. Waarna aan het eind de lezer (alweer!) met een vraagt blijft zitten. In welk verhaal maakt de tovenaar de liefde tot blackout? Oké, het antwoord staat achterin en dat is in zekere zin jammer. Vragen zijn vaak immers belangrijker dan antwoorden. En de gedichten kunnen in feite goed zonder. Ook die ‘Elfde elegie’ (onder andere bekend van de slotregels ‘Daarom (o Lord) laat ze toch alsjeblieft de bom / niet op die arme witte ijsberen gooien – en ook niet / op de bosbessen.’) is geen haar beter, nu hij heeft uitgelegd waar die eerste tien gebleven zijn. Een ander voorbeeld (de titel komt uit The tempest van Shakespeare):

 

Our revels now…

 

Als J. met m’n handdoek

haar vakantie van God

en kerk vaarwel wrijft,

zie ik haar bukken:

 

naar haar slipje aan

het voeteneinde van ’t bed

(haar borsten zijn mooi

als ze hangen)

 

onder het gewicht van

de hele geref. gemeente

(haar gezicht trekt lang-

zaam en triest recht-

schapen)

 

Het idee dat je als streng gelovig meisje af en toe even vakantie kan nemen van het geloof is natuurlijk een vondst. Het gedicht vormt het volmaakte spiegelbeeld van ‘Pastorale’ van Slauerhoff. Dat eindigt met:

 

[…]

Maakt zij ’t haar los voor een donkre spiegelbres

En brengt haar lichaam over

Van het dag- in het nachtgewaad.

Even staat zij naakt,

En gelooft ergens een vage kramp

Te voelen: het gaat over.

Zij dooft de lage lamp.

 

Slauerhoffs domineesdochter komt niet aan vakantie toe. Zij voelt dat er meer is dan het strikte kerkse bestaan, maar onderdrukt de kramp. Deze verwijzing staat niet in Waskowsky’s aantekeningen. Maar dat maakt het juist des te mooier.

Slechts de namen der grote drinkers leven voort is ook de bundel van de korte, bijna anekdotische gedichtjes waarvoor Waskowsky bij een breder publiek zo bekend is. Wie kent niet het gedicht ‘Lourdes’?

 

Toen hij uit de Grotte Miraculeuse kwam

zaten er in elk geval

2 nieuwe banden aan z’n invalidewagentje.

 

of ‘Zeer vrij naar het chinees’:

 

De zon gaat op, de zon gaat onder.

Wat doet die boer nou toch weer?

 

Dit laatste gedicht verwijst natuurlijk naar het gelijknamige van C. Buddingh’ (‘De zon gaat op, de zon gaat onder / en langzaam telt de oude boer zijn kloten’). Maar het verwijst ook naar een in 1968 nog heersende kleinburgerlijke moraal. Zo bekeken stelt het gedicht niet Waskowsky’s vraag, maar juist de vraag van de conservatieve middenklasse.

Het sterkst vind ik de dichter overigens in teksten waarin hij zijn eruditie en filosofische inslag (die in Tant pis pour le clown nog erg overheersend waren) begint te relativeren. Zoals de voor de bierkaai mediterende keizer-filosoof in

 

De leeuwen deden hun best, daar

niet van, maar bloed en kerk

werden toen al dikke vrienden

en een man als Marcus Aurelius

zat aan de Donau gewoon

tegen de bierkaai te mediteren.

 

‘Leef wat werkelijk

je leven is, dwz. het heden…’

 

De mode werd: eeuwigheid ergens

boven de wolken. Een verdorven

bijgeloof, constateerde Plinius

al zeer terecht (Ep. x. 97).

 

Na zo’n gedicht moet je van zeer dwarse huizen komen om Riekus Waskowsky ‘slechts’ een jaren-zestig-popartdichter te noemen.