Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

 

Leo Vroman: De mooiste gedichten.

(2014, 2de, vermeerderde druk) Amsterdam: Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Isbn 978 90 468 0404 9, €26,50, 160 blz.

(met tekeningen van Iris Le Rüte)

&

P.J. Harvey: The hollow of the hand. (2015) London: Bloomsbury Circus

Isbn 978 1 4088 6573 6, €18,99, 232 blz.

(met foto’s van Seamus Murphy)

 


 

 

 

Poëzie zonder puntjes op de i  |

 

 

 

Wie een dichtbundel mee op vakantie neemt, heeft het niet helemaal begrepen. Tenminste als ‘vakantie’ ‘avontuur’ betekent en je vooral nieuwe plaatsen wilt ontdekken, nieuwe grenzen wilt overschrijden,  je in onbekende steden wilt onderdompelen. Zoiets kun je namelijk op twee manieren doen: door daadwerkelijk je boeltje te pakken er erop uit te trekken, óf door gewoon thuis te blijven en wat goede poëzie ter hand te nemen. Multitasken is uitgesloten, als je het allebei wilt doen, doe je per definitie beide te kort. (Dat geldt natuurlijk niet voor wie graag de halve zomer ergens aan een costa op het strand ligt. Dan kan een mooie dichtbundel helpen om tenminste nog iets van je vakantie te maken.)

Met de vakantie voor de deur bespreek ik deze keer twee dichtbundels voor thuisblijvers. Boeken met gedichten die ontsproten zijn aan een kosmopolitische geest. Teksten van dichters die de moeite hebben genomen om alvast voor de lezer uit te reizen. Zodat die gemakzuchtige thuisblijver gewoon vanuit zijn leunstoel de wereld kan ontdekken. Dat hij die reis intussen niet op een presenteerblaadje krijgt aangereikt, is inherent aan de betere poëzie.

 

Met de bundel De mooiste gedichten van Leo Vroman blies redacteur Bastiaan Bommeljé in 2006 de fraaie ‘Hollands Maandblad-reeks’ nieuw leven in. Vroman was daarbij een dappere keuze, want ik geef het je te doen om uit het oeuvre van een van de meest oorspronkelijke dichters die Nederland heeft gekend, de ‘mooiste’ gedichten te kiezen. Zo’n onderneming is gedoemd te mislukken. De 45 titels uit de inhoudsopgave kunnen makkelijk voor 45 andere al even prachtige gedichten ingeruild worden.

In een aantal ervan neemt Vroman ons mee op reis (en daar ging het in deze bijdrage natuurlijk om), op reis naar oorden die zeker in zijn vroege verzen niet allemaal even idyllisch zijn. Zoals een jeugdherinnering in ‘Frankrijk’ uit 1966:

 

Kind zijn onderin een onherkenbare kamer

met mijn broertje in gevaarlijk beddegoed.

Het parijst ontzettend buiten,

in de nacht vol roepen ratelen en fluiten

en frans dat zwaargevlerkt naar binnen moet.

 

Een hoek later spetterend tegenlicht.

Zeker tranen of de ogen dichtgeknepen.

Vader in het jong opeens en een mooie

matrozenpet op die meteen tien jaar later

op zolder van papier blijkt te zijn, kapot

met Le Rat Mort erop, zegt mijn god

die jongen zit onder de vlooien.

[…]

 

‘Het parijst ontzettend buiten’. Van zo’n typisch Vroman-woord kan ik ontzettend blij worden. Het is bovendien voor de reiziger-in-de-geest ook een productief begrip: Het berlijnt, amsterdamt, new-yorkt. Allemaal woorden die aan een intens stadsgevoel appelleren, maar toch ook weer allemaal anders zijn. In ‘parijst’ zit accordeonmuziek, in ‘amsterdamt’ knettert een draaiorgel. Maar ‘parijst’ heeft ook iets dreigends. Het zit vol met Frans, waar een Nederlands kind niets van verstaat en wat hem angst inboezemt. De thuisblijver krijgt gelijk, op reis gaan is lang zo leuk niet als iedereen altijd beweert.

Dat wordt des te pregnanter als de reis een gedwongen karakter krijgt, bijvoorbeeld door oorlogsgeweld. Het gedicht ‘Engeland’ schetst een overtocht in de meidagen van 1940, toen veel jonge Nederlandse mannen naar Engeland probeerden te ontkomen. Het is een tamelijk lang gedicht, waaruit ik enkele fragmenten zal citeren:

 

Vijftien mei negentien veertig.

In harwich begon het vasteland,

de pier zat er met keien aan vast

en er kwamen personen op voor,

in lichtgrijs en donkergrijs, de lucht

licht, mijn te lange zwarte jas

gekreukeld. Toen pas

was ik helemaal gevlucht.

[…]

 

In huis bij een arm

bijna werkelijk gezin.

De vrouw hield de kachel warm,

de man fluimde erin.

Hij zier er uit als een vest:

ik ben zijn armen vergeten.

Hij rochelt onder het eten.

Het gaat niet zo best.

[…]

 

‘Gas’ hoest hij, ‘war of fourteen’.

Het huis is donker en vol;

[…]

 

‘Reizen’ en ‘vluchten’ zijn elkaar overlappende begrippen. Vlak onder de anekdotische laag van ‘Engeland’ ligt de wrange waarheid verscholen dat je voor ellende niet kunt vluchten. Zodat je in mei 1940 van de Tweede Wereldoorlog pardoes in de beklemmende gevolgen van de Eerste terecht kon komen. Probeer er zo de moed maar eens in te houden.

Veel later, in 1980, ontdekt de thuisblijvende poëzielezer nóg een groot nadeel van het reizen. Het gedicht heet ‘Hotel Valmonte, Berg en Dal’.

 

Lieveling,

 

Ver van jou worden mijn vingers koud.

Het warmste wat ik mij dan voor kan stellen

zijn je stem, je rode en witte cellen,

je vlees en bloed waar ik verwoed van houd.

 

Wat wij daags op ons bloedlab ontdekken

pas ik vaak ’s nachts denkbeeldig op je toe

[…]

 

Reizen betekent ook dat je ergens niet bent. Niet thuis, niet bij de geliefde, niet bij alles wat je vertrouwd is. En zo is het altijd wel wat.

Brengen Vromans gedichten ons het oorlogsgeweld van 75 jaar geleden in herinnering, de Engelse zangeres en dichter, Polly Jean (‘PJ’) Harvey presenteerde onlangs op het International Literature Festival Utrecht haar debuutbundel The hollow of the hand. Ik weet niet of zij Leo Vroman kent, maar zij volgt met haar meedogenloze poëzie wel aardig het spoor dat Vroman met gedichten als ‘Engeland’ uitzette. Ter inspiratie trok zij samen met fotograaf Seamus Murphy naar oorlogsgebieden, waar verlaten huizen, verbrande dorpen en verweesde mensen haar tot inspiratie dienden. De bundel is rond drie landen gegroepeerd. En verrassend genoeg volgt na de cycli ‘Kosovo’ en ‘Afghanistan’ als derde ‘Washington DC’. Kennelijk heeft ook het centrum van de wereldmacht de reiziger iets te zeggen. Ook daar kiezen haar gedichten niet voor de gebaande paden, maar dwingen ze de lezer te gaan ‘Sight-Seeing South of the River’, zoals een van de gedichten heet. Daar wonen ontheemde zielen in een verloren wereld: de blinde die alleen maar ‘spare some change’ roept, totdat de duiven zijn smeekbede overnemen. Of de jongen die niets weg te geven heeft in ‘Throwing nothing’:

 

At the refreshments stand

near the Vietnam memorial

a boy throws out his hands

as if to feed the starlings.

But he’s throwing nothing;

it’s just to watch them jump.

Three long notes sound on a bugle

and a man in overalls

arrives to empty the trash.

He hauls it to a metal hatch

which opens to the underworld.

An alarm bell yammers.

The boy throws out his empty hands.

The starlings jump.

 

En ja, dat zijn de straten en de mensen die geen enkele vakantieganger ziet. Alleen de dichter, en via diens woorden ook de poëzielezer thuis in zijn luie stoel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |