Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Froukje van der Ploeg: Dit is hoe het ging (2016)

Amsterdam: Nieuw Amsterdam

Isbn 978 90 468 2110 7, €19,99, 64 blz.

 


 

 

 

De waarde van waardeloze dingen  |

 

 

Waar komen gedichten eigenlijk vandaan? Ja, uit het hoofd van de dichter, zou je zeggen. Maar als het zo simpel is, waarom tobben dichters dan de hele tijd over al die poëticale worstelingen waar ze ons in hun gedichten mee opschepen? Wat gebeurt er allemaal in zo’n dichtershoofd voordat het verstaanbare poëzie wordt? Precies in het midden van Dit is hoe het ging, de nieuwe dichtbundel van Froukje van der Ploeg, staat het gedicht ‘Opslagruimte’.

 

Je weet toch dat niemand zo’n hoeveelheid

geheimen aankan zonder dat er iets uit sijpelt

of een deel van je persoonlijkheid verandert

er is maar zo veel te verbergen achter

de bewegingen van elke dag, eerst zijn er berichten

of een gesprek dat je niet vertelt en later delen

van een dag, uren in een nacht, zijn stem blijft hangen

in je hoofd terwijl je een huis aanzet, voer in bakjes

melk in bekers, je went aan nieuwe waarheden, schuift

een filter over de feesten waar je danst, diners

waar je toch niet was, het geeft spierpijn

in je lichaam, maar ook dat went en zo schuift

het steeds meer, schuiven stapels polaroids

over elkaar tot je alleen het beeld onthoudt

dat op dat moment boven ligt.

 

Ik moest bij deze regels meteen denken aan de nogal beroemde ‘Aars poëtica’ van de tamelijk geniale Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932-1977):

 

Dichten is net als koken:

Je pleurt maar wat in de pan

Als je koken kan.

 

Het gedicht ‘Opslagruimte’ heeft inderdaad wel wat weg van een snelkookpan. Het bruist en gist er van de ideeën, gebeurtenissen, geheimen en fantasieën. Er sijpelt eens iets uit of er komt eens iets bovendrijven. Wat meteen de vraag oproept of het toeval is dat precies dit beeld ‘op dat moment boven ligt’. Als je het zo bekijkt, wordt het poëticale raadsel alleen maar groter. En misschien moeten we dat raadsel maar gewoon koesteren.

 

Juist om die reden, en ook omdat ik vind dat poëzie vragen moet stellen zonder meteen ook antwoord te geven, aarzelde ik eerst wat bij de nieuwe bundel van Froukje van der Ploeg. Dit is hoe het ging riekt toch een beetje naar kant-en-klare antwoorden. Van de andere kant: in dit post-truthtijdperk is de waarheid ook maar een mening. En meningen zijn persoonlijk, multi-interpretabel en ambigu. Wat dat betreft leven we in poëtische tijden. Laten we daarom eerst eens naar het titelgedicht kijken:

 

Ze zegt: er kwam iemand over de vloer

bij je moeder, in de tijd in Den Haag

dat je vader volop vreemdging, het was

een vrouw, iets fysieks, iets met liefde

 

De dochter zegt: zo veel weet ik niet

over mijn moeder, ik heb geleerd

haar dicht te houden. Ik kon de grootte

van haar verdriet niet zien.

 

Dingen waren zo, de uren verdwenen

in diners, feestjes, in niets aan de hand

 

De koelte had geen uitweg

Deuren sluiten riep de moeder, ze droeg

handschoenen tot ver in de lente.

 

Kennelijk ging het zo dat iedereen zijn eigen verhaal kon maken van de mislukte relatie tussen een vader, een moeder en haar vermeende lesbische vriendin. Iedereen kon details invullen of wegmoffelen naar keuze. Een betrekkelijke buitenstaander smult van alle verwikkelingen, de dochter keert zich er juist van af. En aan het eind heeft iedereen zijn eigen waarheid. Het lijkt, inderdaad, de poëzie zelf wel! Dit is hoe het ging is niet die stellige almanak met antwoorden op alle vragen. Nee, het is een krachtig argument voor het inzicht dat ‘dit’ nooit is hoe het ging. Waar in de harde buitenwereld tot voor kort feiten en interpretaties keurig en strikt gescheiden waren, is die overzichtelijke grens inmiddels behoorlijk vervaagd. Precies zoals dat in de dichtkunst al eeuwen is. Lees bijvoorbeeld het gedicht ‘Gastenlijst’ eens:

 

Wij zijn vergeten dat we buitenstaanders zijn

sinds we delen van de hand deden, zomerhuisjes

met meubels en al, fietsenrekken op onze auto’s

schepen, paarden, hoge hakken, haarkleur.

 

Het was eenvoudiger dan we dachten, we bliezen

het weg als de decennia die voorbijtrokken, het varen

de fietstochten, meters boeken en de tijd

die we erbij kochten om ze te lezen

op de verkochte plekken.

 

In de laatste tuin graven we onder de hortensia

de noodfles op, vergeten dat niemand meer

onze naam roept.

 

Wanneer je alles wat tastbaar is van de hand doet, blijft er nog maar heel weinig over. En dan is ‘tastbaar’ hier een erg ruim begrip: het omvat zowel concrete (boeken, haarkleur) als abstracte zaken (tijd, plekken). De dubbele ontkenning in de laatste strofe spreekt daarbij boekdelen: ‘dat niemand meer / onze naam roept’ lijkt erop te duiden dat de spreker zelf hier ook verdwenen is. Maar die ontkenning van het bestaan wordt in dezelfde zin ‘vergeten’. En het is voor mij erg de vraag of dat nou positief of negatief is. Als je je zelfs niet meer bewust bent van je eigen niet-bestaan, dan is het einde toch wel definitief, zou je denken. Van de andere kant: deze woorden worden nog wel geformuleerd. En daarmee lijken ze een nieuw begin van een nieuwe (gedachten)wereld te beloven. ‘Ik denk, dus ik ben’ in een nieuw jasje.

De bundel eindigt met vier brieven aan ‘Lieve Imke’, waarvan de slotstrofe van de derde brief luidt: ‘Wij horen zijn verhalen aan, knikken onverschillig / als hij de dode opa looft en onze belangstelling voor / de verborgen zoon dooft.’ En dat is inderdaad hoe het gaat. Het is niet zozeer de waarheid die verdwijnt, het is eerder onze belangstelling voor die waarheid. ‘Woorden zijn / waardeloze dingen’ heet het in een ander gedicht. Maar de attente lezer weet dat hijzelf het is die waarde kan maken of breken.

Achter op Dit is hoe het ging staat de aanbeveling:

 

‘Een zusje, een oma, een vader en een moeder. Zoals in zovele families spelen er onderhuidse kwesties, zijn er geheimen die niet besproken mogen worden. Dit is hoe het ging is een trefzekere bundel over een universele familie, de herhaling van de geschiedenis, en over wat toch anders zou kunnen.’

 

Ik neem aan dat deze flaptekst van de dichter zelf is, of anders in serieuze samenspraak met haar is opgesteld. Want het is natuurlijk waar. De gedichten gaan over familie, relatieproblemen, echtscheiding, de dood. Maar omdat echte, goede poëzie ook altijd post-truth is, gaan ze ook over de dichtkunst, de wereld en wat de een van de ander kan leren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |