Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NLL  |  FOTO'S 

 

 


 

C.B. Vaandrager: Made in Rotterdam.

Verzamelde gedichten.

(2008). Amsterdam: De Bezige Bij.

ISBN 978 90 234 2829 9, € 39,90, 478 blz.

 

 

Een kwestie van lezen, een kwestie van kijken  |

 

Soms krijgt een mens ineens iets heel raars te lezen. Zo’n tekst waarbij hij kan kiezen tussen twee mogelijkheden. Óf de auteur neemt hem in de maling en hij is te dom om dat te begrijpen, óf de schrijver zelf was geestelijk even heel erg uithuizig toen hij zijn malle tekst aan de tekstverwerker toevertrouwde.

Zo kreeg ik een tijdje geleden een imposant ogend document te lezen dat luisterde naar de indrukwekkende titel ‘Kennisbasis Nederlands voor de tweedegraads lerarenopleiding’. Daar staat alles in wat een aankomend docent moet weten van zijn vak. Handig, leek me. En omdat die kennis natuurlijk ook ooit getoetst moet worden, hadden de nijvere samenstellers er alvast ook maar wat voorbeelden van mogelijke tentamenvragen bij gezet. Om hun visie te illustreren, neem ik aan. Nou, dat hadden ze beter niet kunnen doen. Want waar in de inhoudelijke opsomming een mogelijk gebrek aan inzicht meestal nog alleszins vaardig gemaskeerd werd, vielen de samenstellers bij de vragen genadeloos door de mand – tenminste waar het het thema(!) fictie betrof.

Vooral omdat ik u op uw vrije zondagmiddag niet wil verontrusten met een flinke reeks deprimerende voorbeelden, zal ik mij tot één eigenaardigheid beperken. Het gaat hier om het lezen en doorgronden van literaire teksten. Dat geschiedt volgens de schrijvers in drie fasen: eerst dient de aankomende leraar zo’n tekst (een gedicht bijvoorbeeld) te analyseren, daarna mag hij hem proberen te interpreteren en tenslotte kan hij met zijn bevindingen nog iets vaags doen wat valt onder de noemer evalueren. Als je er niet al te diep over nadenkt, klinkt dit allemaal heel redelijk, maar ik geef het u te doen: een tekst analyseren zonder hem eerst te interpreteren.

Een voorbeeldje uit het werk van C.B. Vaandrager:

 

Ik ken haar van gezicht:

zij werkt bij Unilever

en verwacht een baby en een gesproken brief

uit Nieuw-Guinea.

 

Weet zij dat van de week

zijn kloten weggeschoten zijn,

toen hij gehurkt zat

bij een praatmachine van het Algemeen Dagblad?

 

Zo’n bedrijfsongeval

maakt poëzie ook bruikbaar

voor pacifisten.

 

Als ik dit gedicht lees (de eerste keer, oppervlakkig) dan roept het wel meteen een beeld bij me op. Ik zie een jonge vrouw, hoogzwanger, en haar man die in Nieuw-Guinea pijnlijk getroffen werd, juist op het moment dat hij een tekst insprak voor het nietsvermoedende thuisfront. Zo’n toeval, dat kan alleen maar poëzie zijn, denk ik dan. Waarop het gedicht mij op de vingers tikt en mijn interpretatie in een wat ruimer kader plaatst: het hierboven beschreven poëtische toeval laat blijkbaar nog een andere vraag toe. De vraag wat die Nederlandse soldaat in dat verre Nieuw-Guinea te zoeken heeft.

Dat lees ik allemaal nog voordat ik één syllabe geanalyseerd heb. En dan kan ik er vervolgens wel een heel analyseapparaat op loslaten (drie ongelijke strofen, onregelmatige regellengte, gespannen samentrekking in regel 3 en zo verder), maar het is de vraag of dat erg veel toegevoegde waarde heeft.

Goed, dat ligt natuurlijk ook wel aan het gedicht. Bij een tekst van Lucebert komen er bij de analyse waarschijnlijk nog een paar nieuwe vergezichten uit de kast. Maar dat kan allemaal pas ná die eerste interpretatie. Want interpreteren is gewoon een kwestie van lezen.

 

Terug naar Vaandrager. Eén van zijn bekendere gedichten – het staat onder meer in Leiden op een gevel aan de Morsweg – heet ‘Nederlandse Spoorwegen’:

 

Tanja, je kunt kiezen:

  9.08

     28

     39

     55

10.09

     30

     39

11.09

     43

 

Doe Amsterdam de groeten

en geen gesodemieter.

 

Dit gedicht heeft wel iets weg van een ready made, maar is het toch ook weer niet helemaal. Waar een dichter als K. Schippers bestaande teksten, of bijvoorbeeld een adres tot poëzie verheft, gewoon door de lezer te dwingen er één ondeelbaar ogenblik op een andere manier naar te kijken, voegt Vaandrager er nog iets eigens aan toe. In ‘Nederlandse Spoorwegen’ zijn dat de laatste twee regels, of eigenlijk alleen die ene allerlaatste regel. Alles daarvóór kan een zakelijk, hulpvaardig bedoeld briefje zijn. Maar in die laatste regel komt de Rotterdammer om de hoek kijken. Naar Amsterdam gaan, akkoord, maar laat ik niet merken dat je ook maar iets Amsterdams uitspookt.

Ongeveer hetzelfde doet hij met de drie gedichtjes die samen de cyclus ‘Made in Madurodam’ uitmaken. Ik noteer ze even alledrie:

 

1.

Wat gebeurde er met

reserve-luitenant Maduro?

 

Hij offerde zijn leven (1916-1945)

voor het vaderland.

 

2.

De kroketten in het restaurant

zijn aan de kleine kant.

 

3.

De uitgang heeft vertrouwde afmetingen.

 

Het eerste gedicht bevat informatie uit het gidsje dat je bij de kassa koopt, maar verwijst door de formulering natuurlijk ook naar het verhaal over sergeant Masuro van Mulisch. Het tweede en derde gedicht spelen met de afmetingen van de miniatuurstad en die van de grote-mensenwereld. En juist door die verwijzingen en door dat spel doen Vaandragers gedichten wat gedichten ook behoren te doen. Ze openen een nieuw perspectief op een maar al te bekende wereld, daardoor de mogelijkheden van poëzie ten volle uitbuitend. Want die andere, nieuwe, steeds wisselende perspectieven, daar gaat het natuurlijk om. Want juist die maken van poëzie een metafoor voor het leven zelf. Vaandrager beschreef dit effect in het korte gedicht ‘Poetry in motion’. De titel verwijst naar een nummer-éénhit uit 1961:

 

Allicht,

ook de poëzie moet bewegen,

het is immers een en al beweging?

 

Zo is dat. En dat intussen twee Utrechtse kunstenaars poëzie en beweging met elkaar in verband brengen onder de noemer Poetry in motion (poetryinmotion.nl) kan na Vaandrager nog nauwelijks toeval zijn.