Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

Wat ik met de sleutel moet

 

Vrouwkje Tuinman: Wat ik met de sleutel moet (2011). Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.

Isbn 978 90 388 9393 8, €14,95, 56 blz.

 

 

 

 

 

Vrouwkje Tuinman verwerkt erop los  |

 

 

Er zijn door de eeuwen heen meer treurige gedichten geschreven dan goed is voor een mens. Vooral van gestorven geliefden wemelt het in de poëzie. Nou wil ik wel de laatste zijn om te beweren dat daar geen prachtige en ontroerende meesterwerkjes tussen zitten. Natuurlijk wel. En een hoop net iets mindere regels doen het altijd nog heel bevredigend in rouwadvertenties en in de kerk.

Toch komen ook (of juist) op die plekken teksten vaak beter tot hun recht als ze helemaal niks met een sterfgeval van doen hebben.

 

Elk woord dat wordt geschreven

is een aanslag op de ouderdom.

Ten slotte wint de dood, jazeker,

 

maar de dood is slechts de stilte in de zaal

nadat het laatste woord geklonken heeft.

De dood is een ontroering.

 

Deze regels uit een gedicht van Remco Campert gaan over de onsterfelijkheid van de poëzie. Niks minder, maar vooral ook niks méér. Toch deden ze het onlangs uitstekend bij een uitvaart. Gewoon omdat de woorden zo goed bij de hele sfeer van die dienst pasten. Gedichten waarin daadwerkelijk een overledene wordt herdacht, zijn vaak óf te algemeen, óf te persoonlijk om bij andermans begrafenis goede diensten te kunnen bewijzen. In het eerste geval, de algemene, gaat het meestal niet om echt goede verzen – al moet je dat bij de persoonlijke natuurlijk ook nog maar afwachten. Soms ben je daarbij als lezer ongewild getuige van iets waar je helemaal niet op zit te wachten, voel je je een beetje een voyeur.

Maar er zijn ook heel goede. Zoals de gedichten van Vrouwkje Tuinman in Wat ik met de sleutel moet. De uiterst leesbare gedichten uit het eerste deel van de bundel, ‘Intensive care’, gaan vooral over de nazorg: een huis moet opgeruimd, een graf verzorgd worden. Praktische zaken die de verwerking als belangrijkste nevenproduct hebben:

 

Vandaag heb ik de flessen van drie weken geleden,

je laatste verjaardagsfeestje, weggebracht.

Op de stoep zijn er per ongeluk of expres

een stuk of zes kapotgegaan. Ik heb geveegd. Ik was toch

aan het boenen, dingen voor je aan het netjes maken.

Ik heb de kast met foto’s aangewezen, die gaan

met je ouders mee. Er is nog Franse kaas die je

te veel had ingekocht, die vind ik vies, maar de vla

is bijna op. Wat ik met de sleutel moet dat weet ik niet.

 

Zo tobbend en sjouwend en piekerend kan iemand met de dood omgaan. Maar op deze manier krijgt de lezer wel de ruimte om de emoties die voelbaar onder die zakelijke regels liggen, zelf op te zoeken en toe te laten wanneer hij dat wil.

In de gedichten benadert Tuinman het verlies van alle kanten. Blijkbaar is de geliefde kort na zijn verjaardag bij een auto-ongeluk om het leven gekomen. De vraag is dan heel legitiem hoe dat in godsnaam heeft kunnen gebeuren. Wat in ‘Groendijck’ tot de volgende prachtige observatie leidt:

 

God is een boer, maar Hij klust bij als acrobaat.

Woensdagochtend vroeg doet Hij een test of auto’s ook

uit varen kunnen gaan. Het wordt een dag waarop alles

verandert. Er zitten schapen aan het stuur. Het kan.

[…]

 

(Dit gedicht is trouwens oorspronkelijk geschreven voor de negentigste verjaardag van Guillaume van der Graft en zit boordevol verwijzingen naar diens gedicht ‘Oxford Street’. Zo zie je maar dat ook de context een gedicht kan maken.)

Weer ergens anders uit het verdriet zich in de schijnbaar laconiek beschreven onmogelijkheid om het graf van de geliefde naar behoren te verzorgen. ‘Tot nu toe is het niet gelukt / om bloemen naar je nieuwe huis te brengen. / Zelfs als ik het probeer: De dag waarop / je dit adres betrok liet ik de rozen / liggen op de trap. De tweede keer / kon ik geen winkel vinden […]’.

Maar het allersterkst vind ik Tuinman als zij het gevoel van oneerlijkheid beschrijft. Want het is natuurlijk ook helemaal niet eerlijk wanneer een betrekkelijk jonge geliefde uit het leven wordt weggerukt. Iedereen die zoiets heeft meegemaakt zal zich herkennen in het machteloze protest, dat er dan altijd wel wat minder dierbaren zijn, die beter dood hadden kunnen gaan. In ‘Iemand die ik liever mis’ heet het ‘Ik vind dat nu wel iemand anders een tijdje dood mag zijn. / Een top tien is zo gemaakt.’

 

In de derde afdeling ‘Komen en gaan’ verhuist de ‘ik’ naar een ander huis in een andere straat. Ze is daar, zo staat het er met een flinke portie zelfspot, vooral welkom vanwege een gebrek aan hinderlijke eigenschappen:

 

[…]

De mensen in de straat zijn ook al blij.

Ze prijzen mij om dingen die ik niet heb.

Geen honden in de achtertuin.

Geen politie die mijn deur losbreekt.

Ik sla niemand op zijn bek en maak geen harde seksgeluiden.

Al die dingen ben ik niet.

Wat er wel is meldt geen enkele statistiek.

[…]

 

Vrouwkje Tuinman is als schrijfster niet bepaald het zonnetje in huis. Wat ook weer niet helemaal een eerlijke constatering is, want van haar vroegere werk ken ik alleen de korte maar treurige roman Grote acht uit 2005. En in Wat ik met de sleutel moet zijn ondanks deze observatie nog wel wat meer gedichten te vinden die van een groot gevoel voor humor blijk geven. ‘TomTom’ bijvoorbeeld:

 

Wat zou er toch gebeuren met de mensen

aan wie ik de weg uitleg. Ik stuur ze twee

keer links en dan naar rechts en zie ze

nooit meer terug. Er was er eentje

met een helm dus die zou veilig moeten zijn.

[…]

 

Al gaat het in het volgende gedicht dan wel weer meteen over een ander die je nooit meer terugziet. Is hij in de hemel en zo ja, hoe ziet het er daar dan uit? Het zijn natuurlijk vragen die al duizend keer gesteld zijn, zeker in de poëzie. Dat hindert niet. Want Vrouwkje Tuinman geeft niet alleen een heel eigen kijk op die traditionele thematiek, maar doet dat ook nog eens met meesterlijke gedichten in een aanstekelijke en leesbare stijl.