Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Florence Tonk: Rijgen. (2013)

Amsterdam: Nieuw Amsterdam.

Isbn 978 90 468 1469 7, €17,50, 48 blz.

 


 

 

 

Twee weggeschraapte kleine kosmonauten  |

 

 

Op Meander (‘literair e-zine’) schreef Bert van Weenen dat de nieuwe bundel Rijgen van Florence Tonk hier en daar wel wat explicieter had gemogen. Zo blijft, beweert hij, het driedelige gedicht ‘De langverwachte’ schimmig en onhelder als je niet weet dat de dichteres na een miskraam tenslotte een gezond kind heeft gekregen. Hij vindt met name de regels ‘nu geloven / dat het komt om te blijven’ enorm aan kracht winnen als de lezer over de bijbehorende biografische data beschikt.

Wat een onzin! Om te beginnen zet de titel ‘De langverwachte’ de lezer al snel op het spoor van een zwangerschap. Heette de bekroonde roman van Abdelkader Benali over een ongeborene ook al niet zo? Maar zelfs als de lezer deze vingerwijzing niet herkent, hoeft dat nog geen probleem te zijn. Want hoewel Van Weenen lijkt te vinden dat het woord ‘baby’ de genoemde regels een veel sterkere lading geeft, is het tegenovergestelde natuurlijk het geval. De biografische feiten dammen het aantal interpretatiemogelijkheden in tot één. En dat is altijd een verarming.

Als er íets op de gedichten in Rijgen is aan te merken, dan is het juist dat ze soms té expliciet zijn. Met name aan het eind van de bundel, als de lezer overspoeld wordt met moedervreugde waar hij niet om heeft gevraagd.

 

Ik was zijn fles

hij roept me weer

 

en iedere keer

als hij dat doet

antwoord ik rijmend ja

dan zwel ik op, omhoog

[…]

 

Enzovoort, enzoverder. Gelukkig gaat er aan zoveel euforie ook nog mooie poëzie vooraf. Want zelfs al is de aardse context (een miskraam) bekend, dan nog neemt een gedicht als ‘Kleine ingreep’ voldoende afstand om van een serene schoonheid te zijn:

 

Men is tot actie overgegaan

de benen zijn in stijgbeugels

gedaan, het karretje met glanzend

roestvrijstaal, een pomp, de lepels.

Zo heeft men ingegrepen.

 

U bent nu schoongemaakt, de bodem,

het weefsel is van de zelfvoorzienende

planeet geschraapt waar even

toevallig twee

kleine kosmonauten leefden.

 

Hun reis liep niet voorspoedig.

Wat u na enkele weken zag bewegen

in dat gruizig universum op het scherm

kunt u maar beter

zo snel mogelijk vergeten.

 

Juist omdat het perspectief hier niet bij een larmoyante ‘ik’ ligt, maar bij een zakelijke, kille arts, krijgt dit gedicht iets ontroerends. Waarbij het beeld van de twee weggeschraapte kleine kosmonauten het alleen maar wranger maakt. Het gedicht doet wat dat betreft wel wat denken aan de meest genadeloze scènes uit De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat van Louis Paul Boon. Lees daar bijvoorbeeld nog eens hoe de gerechtsdokters onder het licht van tl-buizen het lijkje van de vermoorde Eva ontleden.

 

Er zijn in Rijgen drie thema’s, of liever: rode draden, te herkennen, die nauw met elkaar verweven zijn. Allereerst is daar het beeld van een generatie, de kinderen van de babyboomers. In ‘Wij en zij’ onderwerpen ‘wij’ die ouders aan een grondige analyse: ‘Ze gingen het anders doen maar het lukte niet / ze bleven hetzelfde doen, ook dat / lukte niet, ze waren verwekkers geen goden / raakten hun goden kwijt waar wij bij waren’. Wat begint als een afrekening eindigt 23 regels verder evenwel met het vaststellen van één belangrijke eigen tekortkoming: ‘wij hadden overal meer van, behalve / de illusie dat het anders kon.’

De andere twee thema’s sluiten hier op aan. Want zonder die ‘illusie dat het anders kon’ zijn ‘leven’ en ‘dood’ onbeheersbare grootheden geworden. Het ‘leven’ manifesteert zich gelukkig niet alleen in de moederlijke euforie van de laatste gedichten, maar ook in een mooi ironisch realisme.

 

[…]

mijn man ruikt naar weinig

zelfs als hij zweet

zijn haar had oranje kunnen zijn

maar het is blond als karton

ooit had ik een man zonder haar

goed beschouwd

ben ik erop vooruitgegaan.

 

De ‘dood’ trekt twee sporen door de gedichten: dat van de afgebroken zwangerschap en dat van de aftakeling en dood van de ouders. Misschien komt het door het sombere thema, maar volgens mij horen deze gedichten tot de beste uit de bundel. Zoals hierboven ‘Kleine ingreep’ en ook ‘Over het natte en het droge’:

 

De knie, het gebit, de lever, alles

begeeft het langzaam maar zeker.

Uitgebogen, uitgekauwd, uitgedronken

maar nog altijd levend, de huisarts

hun intiemste vriend, lapt wat op

houdt wat bezig maar heeft het

heimelijk al opgegeven

 

stram en bros als oude takken

kunnen ze maar in één stand staan

[…]

 

Als ik de eerder genoemde euforische gedichten dan toch één belangrijke poëticale rol moet toebedelen, dan is het wel dat ze voor een contrast zorgen, waar regels als deze alleen maar krachtiger van worden.

Verspreid over de bundel heeft Tonk ook nog zes prozagedichten opgenomen. En die verdienen hier toch wel even de aandacht, want het zijn stuk voor stuk sterke, zelfs harde en realistische teksten die een bijzondere plaats in de bundel innemen. Laat ik er voor een goed beeld eentje citeren, ‘Neem de man uit Wenen’.

 

Voordat ze hem ontmoette van wie ze hem kreeg, waren er anderen. Op de twijfelaar achter de zilveren luxaflex op tweehoog: hij boven, zij boven, voor, achter, op een stoel in paardrijzit of bij de zwarte kachel als het koud was, op het dunne tapijt. Soms ging het tekeer. Neem de man uit Wenen. Negen keer. Met kapotte knieën, trillende benen waartussen de zon leek op te komen, rauw en gloeiend de stad in schleppen voor bier en nog wat getong achterin waar het schemert. Ze weet dat er honger was maar niet meer of en wat er werd gegeten.

 

Zulke meedogenloze gedichten verdienen eigenlijk een eigen bundel! Maar toch roepen ook zij vragen op. Achterin staat dat de prozagedichten geïnspireerd zijn op de bundel Centuries van de Amerikaanse dichter Joel Brouwers en dat alle gedichten precies honderd woorden bevatten. Da’s een aantal dat in Centuries nog een aan de titel refererende functie had. Maar hier?

Prozagedichten hebben toch al de paradoxale eigenschap dat er altijd vraagtekens bij de vorm worden gezet – terwijl er nu juist van vorm geen sprake is. Maar om nu, al dan niet geïnspireerd door een Amerikaan, volstrekt zinloos voor honderd woorden te kiezen, doet toch wat teveel aan goedkope rederijkerij denken. Wat jammer is, want het zijn wel goede gedichten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |