Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Tjitske Jansen: Voor altijd voor het laatst.

(2015) Amsterdam: Uitgeverij Podium

Isbn 978 90 214 5764 2,

€17,99, 116 blz.

 


 

 

 

Het is maar net hoe het zand valt  |

 

 

Het was een plagerijtje. Toen ik eerstejaars studenten een beetje wegwijs wilde maken in de verschillende genres las ik soms op gedragen toon een stukje voor uit De verzoeking van Hugo Claus. Dat is een novelle, geschreven vanuit het warrige perspectief van een dementerende non. En ik acteerde het fragment zo poëtisch mogelijk. Daarna begon ik aan Het uur U van Nijhoff – alsof ik een stuk uit de krant voorlas. En dan moesten die arme studenten het genre raden, wat geheid fout ging. Dat die verkeerde keuze noch met de vorm, noch met de inhoud van die fragmenten te maken had, maar uitsluitend voor rekening kwam van mijn voorleesbedrog, liet ik vervolgens in het midden.

Dat genres zich niet laten sturen door de vorm alleen, is uiteraard een open deur. Want doorgaans mag de lezer het gewoon zelf uitzoeken, zelfs als de uitgever een verhelderend etiket op het boek heeft geplakt. ‘Roman’. ‘Gedichten’. ‘Essays’. Sinds de inburgering van het kwistig rondgestrooide predicaat ‘literaire thriller’ (die doorgaans allesbehalve literair is), hebben zulke aanduidingen elke betekenis verloren.

Op De verzoeking stond trouwens in 1980 al geen genrevermelding, al sprak de flaptekst wel van ‘een der indrukwekkendste kleine prozawerken van Hugo Claus’. Ik behoud me het recht voor om met de flaptekst van mening te verschillen. Ook op Voor altijd voor het laatst, het nieuwste boek van Tjitske Jansen ontbreekt de genreaanduiding. Stond op haar debuut Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003) nog netjes ‘gedichten’ vermeld, de opvolger Koerikoeloem (2007) hield het genre al in het midden. Het waren dan ook wat hybride teksten met onmiskenbare prozakenmerken: doorlopende regels zonder enige vorm van klank- of metrumwerking. Gewoon korte autobiografische observaties, zo leek het. Maar ze hadden ook poëtische trekjes. Zo begon elke korte beschouwing met de woorden ‘Het was…’, zodat er toch nog een soort van ritme ontstond. Maar belangrijker was het gegeven dat dat hele ‘curriculum’ voor de argeloze lezer tevens een metafoor  was voor zijn eigen leven.

Jansen (en haar uitgever!) maakt het er de lezers van Voor altijd voor het laatst niet makkelijker op. En terecht. Want alleen al de vraag of dit misschien gedichten zijn, geeft ze een krachtige poëtische inslag. En ook al geeft de uitgever op de flaptekst nog een zwakke hint in deze richting (‘net als haar vorige bundels’), op de website heeft Querido het over ‘haar prozadebuut’. Ook de meeste recensenten bespreken Voor altijd voor het laatst als proza.

Ik ben het daar niet mee eens. Jansen heeft haar taal weliswaar van zowat alle poëtische vormtrekjes ontdaan, haar (ongetwijfeld persoonlijke en misschien ook autobiografische) observaties blijven de lezer brutaal aanstaren als metaforen voor zijn eigen leven. Een voorbeeld:

 

‘Mijn moeder bleef me in dat zitje zetten toen ik er eigenlijk al te groot voor was en het een heel gedoe was mij in en uit het stoeltje te krijgen. Het gedoe maakte mijn moeder bozig. Alsof ik iets fout deed door zo hard te groeien. Ik probeerde zo goed mogelijk te helpen maar wist niet hoe dat moest. Ik was opgelucht als het weer was gelukt. Ik maakte me zorgen. Op een dag zou mijn moeder me nog net in het stoeltje krijgen, tijdens het fietsen groeide ik verder, en ze kreeg me er niet meer uit.’

 

Een mooi voorbeeld van een gedicht, vermomd als verhaaltje. Want het gaat voor mij, als lezer, helemaal niet om dat stoeltje, maar wel om het gevoel van ongemak, angst, wanhoop en verdriet dat om de woorden heen hangt. Natuurlijk, de woorden ‘opgelucht’ en ‘zorgen’ sturen die associatie een beetje. Maar lang niet genoeg voor het ongemak dat de taal bij de lezer oproept.

Het aardige is: als je bereid bent de teksten van Tjitske Jansen als gedichten te lezen, dan leveren ze meteen ook een heleboel extra op. Jansen kondigt haar poëtica in één van haar teksten trouwens al aan:

 

‘Een paar maanden later. Wat voor boek wilde ik schrijven? Ik liet weten dat ik dacht aan een manier van vertellen in flarden.

 

Ik kreeg het advies mijn werk naar een uitgever te sturen. Dit was de eerste zin van het antwoord: “U kunt schrijven, dat is duidelijk.” In de hal achter de voordeur ben ik op mijn hurken gaan zitten en las verder. Ze vonden het nog te veel los zand. Ik schreef een brief terug.

 

Wat is er mis met los zand?’

 

Een belangrijk voordeel van los zand is, dat iedereen het op een andere manier door zijn vingers kan laten glippen. Dat geldt in de eerste plaats natuurlijk voor de dichter zelf. Of zoals Jansen het weer ergens anders formuleert:

 

‘Na de les fietste ik, vol verlangen om te gaan vertellen wat ik had meegemaakt, naar mijn vriend. Vlak voordat ik bij het koffiecafeetje de bocht naar rechts nam, realiseerde ik me dat dit helemaal niet kon. Deze ervaring viel niet te vertellen. Het enige wat ik kon doen was de ervaring opnieuw creëren.’

 

En dan is het maar net hoe het zand valt. Persoonlijke ervaringen genoeg in het boek. Maar ze zijn niet echt; het zijn herscheppingen van de werkelijkheid, in de beste traditie van grote dichters als Lucebert (‘ik tracht op poëtische wijze […] de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen’). Grote dichters – en ik wil na deze derde bundel Tjitske Jansen daar zeker toe rekenen – spreken op poëtische wijze de lezer aan. En die blijft op zijn beurt in het beste geval met een paar vragen zitten. Want in de poëtica van Jansen zingen zelfs de meest persoonlijke herinneringen zich van haar los. Als bijvoorbeeld de pleegvader zijn dochter adviseert om voor een boetseeropdracht eerst vooral goed naar zichzelf te kijken, levert dat deze ‘flard’ op:

 

‘Ik maakte drie vrouwen in een kleine kring. Ze hielden hun armen om elkaars ruggen en schouders. Alle drie waren ze slank, hadden ze kleine borsten en lange armen en benen. Alle drie leken ze.’

 

Juist omdat zo’n tekst een gedicht is, ontstijgt hij het niveau van een triviale persoonlijke herinnering. De poëzielezer is nauwelijks geïnteresseerd in het feit of het kleiwerkje een beetje lijkt. Maar hij wil wel weten waarom het er drie zijn. Hij voelt zowel bescherming als afscherming bij die armen om elkaars schouders. En hij brengt misschien zelfs die lange armen en benen in verband met oude maniëristische kunst. Hij laat kortom de anekdote voor wat hij is.

Of lees eens:

 

‘Na de nacht bij de rivier was ik het eerste wakker. Ik ben opgestaan en verderop aan de rivier gaan zitten. Om daar zonder hem te zitten. Om te oefenen hoe het was als hij niet meer bij me was.’

 

In episch proza gaat dit over het afscheid van die ene geliefde. Maar in lyrische poëzie verwoordt het een soort existentiële eenzaamheid die iedereen kent en waar iedereen beducht voor is.

Blijft de vraag of Voor altijd voor het laatst nu Jansens derde dichtbundel is, of haar prozadebuut. Wie het weet mag het zeggen. Maar in beide gevallen is er onmiskenbaar een echte dichter aan het woord.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |