Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Tjitske Jansen: Koerikoeloem

Podium, Amsterdam 2007, 56 blz.

 

 

 

 

Een leven in verzen  |

 

De anonieme dichter die als eerste ooit de regels noteerde “ik hou van jou / en ik blijf je trouw”, was een groot kunstenaar. Hij heeft als geen ander baanbrekend werk verricht voor de poëzie. Om zo rechtreeks in woorden de eigen ziel bloot te leggen, vereist niet alleen moed, maar ook vernieuwend literair talent. Wij zijn bij die regels dan ook nogal makkelijk geneigd om te denken dat het hier om des dichters eigen liefdesleven gaat. Maar dat hoeft helemaal niet. Misschien schreef hij de tekst wel in opdracht van een ander. Of zoog hij hem uit frustratie uit zijn duim. Om te verbloemen dat hij nog nooit verliefd geweest was.

Voor echte poëzieliefhebbers doet dat er niet zoveel toe. Zij houden meer van gedichten dan van dichters. Vooral omdat lyrische teksten hen uitnodigen om iets over zichzelf te ontdekken. Die dichter mag doodvallen, wat hen betreft. Het gaat om de tekst en de lezer.

Veel neerlandici zijn hier nog niet ten volle van overtuigd. Dat blijkt uit de moeilijk uit te roeien gewoonte om bij poëzie altijd naar de bedoeling van de dichter te gaan zitten hengelen. “Wat bedoelt de dichter met …?” is een nog steeds veel voorkomende vraag in lesboekjes en in de klas. Het enige juiste antwoord op die vraag is: “Ik heb geen flauw idee”, terwijl de echt goed leerling daar nog aan toe zou kunnen voegen: “En het interesseert me niks ook!”

Zelfs als dichters beweren dat de gedichten in deze of gene bundel voor de volle honderd procent autobiografisch zijn, dan nog behoren wij daar schouderophalend aan voorbij te gaan. Wij hebben slechts met die teksten te maken en daar hoeft de schrijver zich niet mee te komen bemoeien. Als hij over zijn treurige bestaan wil vertellen, dan moet ie maar zien dat in een of andere talkshow op de televisie komt. Er zijn er genoeg.

 

De flaptekst van de bundel Koerikoeloem van Tjitske Jansen meldt dat de schrijfster “de condition humaine [toont] aan de hand van haar persoonlijke geschiedenis”.  Daar kan ik dus al net zo weinig mee, als met de eveneens afgedrukte aanbevelingen uit de pers. Ik moet er als lezer mijn eigen teksten van zien te maken. En hoe meer ik Tjitske in beeld houd, hoe lastiger dat wordt. Te meer omdat Koerikoeloem (van Curriculum Vitae) het aanzien heeft van een reeks fragmentarische herinneringen. Zo staat er op bladzijde 22:

 

Er was een kast die ik insmeerde met boter. Ik wist dat mijn moeder heel boos zou worden maar de kast ging er zo prachtig van glanzen en mijn vingers genoten van het smeren van de boter op het hout.

 

Er waren weken dat ik een half uur eerder dan nodig naar school fietste om mijn broer voor te zijn zodat hij me niet in elkaar kon slaan.

 

Er was iemand die zei: ‘Van alle dichteressen die ik ken, ben jij de minst saaie.’

 

Het curriculum van de bundel Koerikoeloem bestaat uit 160 van dergelijke fragmenten, in lengte variërend van één tot twaalf regels. En allemaal beginnen ze met “Er was” of “Er waren”. Hierdoor krijgt die lange aaneenschakeling van vertellingen tegelijk iets bezwerend en ook iets sprookjesachtigs. Dit laatste wordt nog versterkt door teksten, waarin de grote boze wolf of Sneeuwwitje een rol spelen (“Er was de grote boze wolf die zich afvroeg of een grote boze wolf nog wel iets voorstelt als hij niet boos meer is.”).

Los van die overheersende cadans (Er was, er was, er was) dringt zich trouwens de vraag op of het eigenlijk wel gedichten zijn. Nergens op het omslag of de titelpagina treffen we de aanduiding “Gedichten” aan. Ik meen dat Jansen zelf in een interview Koerikoeloem wel eens heeft geclassificeerd als één gedicht. Maar, zoals gezegd, ik wil me weinig gelegen laten liggen aan de mening van een schrijver. Naar de vorm zullen poëziepuristen mij graag nazeggen dat het om proza gaat. Zijn het dan prozagedichten? Of is het misschien lyrisch proza? (En wat is trouwens het verschil tussen die twee? Het lijkt me niet boeiend om daar iemands hoofd over te breken, zeker het mijne niet.)

Het antwoord is aan de lezer. Als die Koerikoeloem wil (of kan) lezen als een soort fragmentarische autobiografie, dan is de bundel als gedicht(en) niet aan hem besteed. Na lezing rest hem dan niet meer dan te denken: “Goh, die Tjitske, die heeft het ook niet altijd even makkelijk gehad.” Om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag.

Maar voor wie al lezend langzaam zijn eigen curriculum ziet ontstaan, is er toch iets meer aan de hand. Ik probeer het uit te leggen.

Een aantal fragmenten gaat over het verblijf van de “ik” in verschillende pleeggezinnen. Sommige andere gaan over de psychotherapie die de “ik” op latere leeftijd volgde. Weer andere gaan over vriendjes en liefdesperikelen. En allemaal gaan ze over een breekbare geborgenheid. Een paar (niet zo heel willekeurige) fragmenten:

 

Er was mijn moeder die het vlees omdraaide. ‘Mama, ziet God mij altijd?’ Mijn moeder bleef naar de pan kijken. ‘Dacht je dat?’ zei ze tegen de pan. ‘Dacht je dat hij niets beters te doen heeft dan naar jou te kijken?’

 

Er was het moment vijf jaar eerder waarop ze tegen me zei: ‘Ik wilde nooit kinderen. Maar nu jij bij ons woont, weet ik dat ik kinderen wil.’ Er was de dag dat ik niet antwoordde: ‘Maar je hebt toch een kind? Je hebt mij.’

 

Er was een psychiater die tijdens onze eerste ontmoeting vroeg: ‘Ja?

Vind jij dat belangrijk? Bijzonder zijn?’

 

Iedereen die daar gevoelig voor is, kan deze teksten lezen als metaforen voor momenten uit zijn eigen leven. Dan gaat het niet meer om de al dan niet reële herinneringen van ene Tjitske Jansen, maar om ongemakkelijke momenten die iedere volwassene en ieder kind zo goed kent. Kinderen waarschijnlijk nog beter dan volwassenen, omdat die minder geneigd zijn hun eigen leven te relativeren. En die zich bovendien ook nog echt kunnen vastklampen aan de laatste strohalm die Koerikoeloem hen biedt. Die ene regel, waar je met een beetje goeie wil bij elke puber mee kan aankomen:

 

Er was mos. Het levende bewijs dat je kunt groeien zonder wortels.

 

En waarmee Koerikoeloem een al even levend bewijs vormt, dat prachtige poëzie er niet per se hoeft uit zien als gedichten.