Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Toon Tellegen: Er ligt een appel op een schaal.

verruimde en vernieuwde keuze uit de gedichten

Querido, Amsterdam 2008,  86 blz. € 6,95

 

 

 

 

Fabels en big brother de poëzie  |

 

 

In het gedicht ‘Poëzie is een daad…’ verspreidt Remco Campert het fabeltje dat Voltaire zichzelf van pokken genas ‘door o.a. te drinken / 120 liter limonade’. Waarna hij er wel meteen aan toevoegt: ‘dat is poëzie’.  Hieruit zou een oppervlakkige lezer kunnen concluderen dat in poëzie het onmogelijke blijkbaar mogelijk wordt. Waarop een ander vaststelt dat poëzie dus eigenlijk helemaal niks bijzonders is. Ook romans, fabels, moppen en leugens beschrijven het onmogelijke alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Toch is er een verschil. En dat heeft met het directe karakter van de poëzie te maken. Want al lezen wij die gedichten doorgaans niet om des dichters diepste zielenroerselen te doorgronden, tóch blijven wij altijd stiekem denken dat het de dichter is, die aan het woord is. In romans heb je dat veel minder. Of zo’n verhaal nou personaal verteld wordt (Frits van Egters) of door een ik-verteller (Nescio’s Koekebakker) maakt niet zo veel uit. We weten dat het in ieder geval niet om de belevenissen van de auteur gaat. Da’s gewoon de fantasierijke man of vrouw op de achtergrond.

Met Camperts Voltaire ligt dat toch even anders. En dat heeft te maken met de waarheid van het gedicht. Net als een schilderij of een muziekstuk heeft een gedicht een eigen intrinsieke waarheid. Deze poëtische waarheid is van een andere orde dan onze alledaagse. Daarom kunnen wij (soms met wat moeite) verhalenvertellers, fantasten en leugenaars ontmaskeren. Maar dichters niet!

In de onlangs herziene bloemlezing Er ligt een appel op een schaal van Toon Tellegen, staat het volgende nogal bekende en (tenminste dat vind ik) mooie gedicht:

 

Een man dacht

 

Een man dacht:

wanneer zal ik eens één minuut niet aan haar denken?

Nu?

Hij ging zitten

en dacht één minuut niet aan haar.

 

Toen stond hij op en wandelde verder, dacht verder,

steeds verder, zonder tussenpozen,

aan haar.

 

Ook dit gedicht kent die dubbele waarheid die het voor intelligente volwassenen soms zo lastig maakt om poëzie te lezen. Je moet ook nogal wat eigen ervaring opzij zetten, om te kunnen snappen dat een man willens en wetens één minuut niet aan zijn lief kan gaan zitten denken en daarna onafgebroken en deels onbewust wel. Als dit thema in een verhaal uitgewerkt was, dan zouden we het hoofdschuddend over zoveel onbenulligheid terzijde schuiven. Maar nu het in een gedicht staat, verwondert het. Misschien verontrust het sommigen zelfs. Het vertelt een eigen, niet eerder opgemerkte waarheid, een poëtische waarheid. Net als in het openingsgedicht van Er ligt een appel op een schaal:

 

De muze

 

Als je uit een raam kunt leunen

rek je dan zo ver uit dat je zult vallen

of haar net, nét zult kussen –

 

zij zal wachten, haar hart zal bonzen, zij zal zien

hoe ver je reikt.

 

Verhalen gaan over gebeurtenissen, gedichten niet. Het simpele feit dat het een gedicht is, zorgt ervoor dat wij weten dat er hier helemaal niet uit ramen gehangen wordt. Maar dat het gaat over de grens tussen angst en moed, tussen bereikbaarheid en ontoereikendheid, tussen scheppen en doodvallen. Het gaat, kortom, over de alledaagse dilemma’s van pubers én van volwassenen. Het gaat over ons, over mij. Waarmee we weer terug zijn bij het verontrustende van goede poëzie. Want hoe kan die dichter weten wat er zich iedere dag in mijn hoofd afspeelt? Hier komt Orwell akelig dichtbij!

 

Toon Tellegen is vooral bekend van zijn dierverhalen voor kinderen over de eekhoorn en de mier, waarin hij het leven observeert en beschrijft met de onbevangenheid van, ja, van een kind. En het is diezelfde onbevangenheid die zijn gedichten zo volwassen maakt. Ook (juist?) als hij de belevingswereld van een kind binnenlaat, zoals in ‘Maar hij vergat’, een gedicht over de prins van Doornroosje die zich, thuisgekomen, realiseert dat hij vergeten is haar wakker te kussen. Spoorslags keert hij terug, maar hij is te laat. Het kasteel is verdwenen.

Of dat andere, twee bladzijden daarvóór. Doornroosje houdt zich slapend voor haar prins. Maar naast haar ligt een briefje met ‘niet wakker kussen’ erop en bovendien is de prins al vreselijk moe van de lange tocht naar haar kasteel. Waarna het gedicht eindigt met

 

[…]

Ze zag de deur dichtgaan,

hoorde de treden van de trap –

zo moe, zo pijnlijk vermoeid, elke stap –

 

en haar hart werd verscheurd.

 

Want inderdaad, sprookjes kunnen soms gruwelijk eindigen. Maar de werkelijkheid is altijd nog erger, al is hij nog zo poëtisch. Maar ook meer volwassen thematiek gaat Tellegen niet uit de weg, zoals hierboven al mocht blijken uit ‘Een man dacht’ en ‘De muze’.

De gedichten van Toon Tellegen doen soms in hun observaties wel wat aan de poëzie van Rutger Kopland denken. Dezelfde nauwkeurigheid, dezelfde aandacht voor het kleine. En net als Kopland waakt hij er voor te verdrinken in een rivier van details. Want ook dat is het mooie van poëzie: dat niet alles gezegd hoeft te worden. Dat maakt de gedichten van Tellegen zowel toegankelijk en herkenbaar, als open en vrij voor de eigen interpretatie. Met soms prachtige beelden (‘zo’n kus die aan een zijden draadje hangt’) en nachtmerrieachtige taferelen (‘Mensen wagen zich te ver in zee, / steken hun armen in de lucht, / maar kunnen niet op het woord “help” komen’).

Dat de uitgever voorin de bundel verwijst naar een webzijde voor jeugdboeken, is wat mij betreft een understatement van formaat (of misschien wel een gedicht op zich…).