Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 

John Schoorl: Lust for life.

(2013) Amsterdam: Van Gennep.

Isbn 978 94 6164 200 4, €7,50, 46 blz.

 

 

 

 

Wat je hoort is wat je ziet  |

 

 

Het eerste rockgedicht dat ik ooit hoorde was ‘Eight days a week’ van C. Buddingh’:

 

als mijn vrouw met de bus naar de stad gaat

hoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt:

dan kan ik haar net zo lang nakijken

als wanneer ze halte vogelplein neemt

en zie ik haar bovendien nog een keer

voorbijkomen in de bus

 

Ik was veertien en even helemaal uit het veld geslagen toen onze leraar Nederlands het voorlas. Dit was dus ook poëzie! En later, toen ik het Buddingh’ zelf hoorde voordragen, sloeg het kippenvel voor de tweede keer toe: dit was dus óók voorlezen!

Natuurlijk ontleende het gedicht voor ons, pubers, een belangrijk deel van zijn aantrekkingskracht aan de titel. Want dat was toch een liedje? Van de Beatles nog wel! Waarom deed die dichter dat? Waarom zat hij ergens aan waar hij helemaal niet aan mocht komen, omdat het van ons was? ‘Eight days a week’ was Engels, jong en muziek. En gedichten waren Nederlands,  belegen en taal. En dat wrong, voelden wij. Waardoor het toch ook wel weer spannend werd.

Ik weet nu, vele, vele jaren later oprecht niet meer of deze spanning destijds net zo spontaan ontstond, als ik het me nu herinner. Goeie kans dat die leraar hem er bij ons gewoon heel didactisch heeft ingehamerd.

 

Intussen kijken we er niet meer van op als liedjes en poëzie met elkaar in verband gebracht worden. Intertekstuele verwijzingen naar de popcultuur zijn inmiddels confectiewerk. Toch gebeurt het gek genoeg nog niet eens zo vaak dat een hele bundel vol staat met gedichten die naar liedjes verwijzen. In Lust for life heeft John Schoorl, popjournalist van o.a. De Volkskrant, een stuk of dertig gedichten verzameld, die hij naar aanleiding van de meest uiteenlopende jazz-, soul- en rocknummers heeft geschreven. In sommige van die gedichten toont hij zich een rechtstreekse erfgenaam van Buddingh’:

 

It’s now of never

 

Ik vraag me heel vaak af,

En vooral op momenten

Die er nu niet zo toe doen,

 

Wat had Elvis

In deze situatie gedaan.

 

In zulke regels leunt Schoorl heel dicht tegen het light verse aan, dat Buddingh’ soms omarmde, maar vaak ook krampachtig probeerde te vermijden. In andere teksten weet hij echter een sfeer te scheppen die het gedicht een heel eigen dimensie en zelfs een zekere mate van urgentie weet mee te geven. Zoals in ‘Indian summer’, naar een nummer van Chet Baker:

 

Zit ik alweer in Ristorante Quattro Mori,

Aan de Largo Cairoli, met uitzicht op de bomen.

 

Ik heb een tafeltje achterin,

Met om me heen spiegels en blinkend bestek.

 

Zal je net zien dat Chet binnenloopt,

En dat het oktober 1959 is.

 

We eten samen paccheri sugo di triglia,

Met vlees en salade caprese vooraf.

 

Zijn trompet ligt op tafel, hij lacht als

Saxofonisten Gianni en Clauco binnenkomen.

 

Er zou nu zomaar uit het niets

Een spiegel kunnen gaan bewegen.

 

‘Je krijgt zin om zijn muziek te eten,’ zei een goede vriendin toen ze het had gelezen. En het zijn precies zulke reacties die mindere, “waardevrije” poëzie onderscheiden van inhoudelijk sterke teksten als ‘Indian summer’. Kennelijk roept het gedicht méér op dan je alleen op basis van de woorden zou verwachten. Waarom zit hij daar? Hoe kan het ineens 1959 zijn? Dat zijn de vragen waarmee het gedicht zich aan de lezer opdringt. En vooral natuurlijk: waarom doen woorden en gerechten ineens aan het geluid van Chet Bakers trompet denken? ‘Wat je hoort, / Is ook wat je ziet’ noemt Schoorl dit in een van de andere gedichten (‘Slim’s return’ over een nummer van de Amerikaanse dj Madlib).

De gedichten van Schoorl overstijgen de grenzen van de tijd, net als de muziek waar ze over gaan. Nergens is het een bezwaar dat sommige teksten naar muziek van decennia geleden verwijzen. Ook de twaalf gedichten die over liedjes uit de 21ste eeuw gaan, krijgen door Schoorls poëzie iets tijdloos. Zoals ‘Lost’ (een nummer van de Britse band Dexy’s uit 2012):

 

Ze zijn in een onbereikbaar

Wit huis,

Aan de overkant van

Het meer.

 

De ramen zijn afgeschermd met

Houten schotten

Met katharenkruizen

Erop geschilderd.

 

Af en toe zie ik een

Zwart autootje

Heen en weer rijden,

Van huis naar dorp.

 

Het is een gedicht geworden dat, helmaal conform de titel, een ‘verloren’ gevoel oproept. En dat zonder dat je er de actualiteit van de muziek zelfs maar bij nodig hebt. Allerlei elementen (onbereikbaarheid, over het meer, houten schotten, katharenkruizen) geven zowel een gevoel van opgesloten, als van buitengesloten zijn. Maar dat vervreemdende effect wordt dan tenslotte in één klap te niet gedaan én versterkt door dat zwarte autootje, dat ondanks de onbereikbaarheid van het huis rustig heen en weer blijk te rijden naar het dorp.

Weer een heel ander effect bereikt Schoorl in ‘Town With No Cheer’. Daarin maken we kennis met een trieste, diep gezonken alcoholiste, die ooit nog van Miss Zandvoort leek op te klimmen tot ‘rondemiss met internationale ambities’. Waarna pas in de laatste twee regels de muziek erbij komt: ‘There’s nothing sadder than a town with no cheer, zingt Tom Waits. / Maar hij zou haar ’s moeten zien, deze rondemiss in de mist.’ Waarmee het hele verhaal over dat mislukte vrouwenleven een functie krijgt: als geen ander weet zij het gevoel uit het liedje van Tom Waits te illustreren en, sterker nog, ruimschoots te overtreffen.

Ook binnen zijn gedichten overbrugt Schoorl soms met gemak een tiental jaren. In 1966 verscheen het Beatles-album Revolver met daarop het mooie door John Lennon gezongen nummer ‘I’m only sleeping’. Maar het gedicht neemt de lezer mee naar december 1980.

 

Een meeuw die op

Een zeer koude dag

 

Volkomen verlaten

Op de bevroren Gouwzee

Om zich heen kijkt.

 

Zo moet de man

Zich hebben gevoeld

 

Die als allerlaatste

Het hart van John Lennon

In zijn hand had.

 

Deze metafoor is in zoverre een beetje iel, dat ik mezelf toch al makkelijker in die man kon verplaatsen dan in die meeuw. Daar had ik die vergelijking niet voor nodig. Maar andersom werkt hij dan weer wel onverwacht krachtig: want een eenzame meeuw in de kou aan het water zal er vanaf nu nooit meer hetzelfde uitzien. En dat is iets wat alleen dankzij poëzie kan.