Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Marieke Rijneveld: Kalfsvlies. (2015) Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact

Isbn 978 90 254 4410 5, €19,99, 60 blz.

 


 

 

 

Synchroonzwemmen in je eentje  |

 

 

 

Het allereerste gedicht van een debuutbundel, daar stap je mee de letteren binnen. Alle voorafgaande tijdschriftpublicaties en internetpresentaties ten spijt: hier gaat de deur open. Sommige dichters lijken daar rekening mee te houden. Naar ‘De wandelaar’ van M. Nijhoff of ‘Credo’ van Remco Campert kunnen we respectievelijk 99 en 64 jaar later nog steeds terugbladeren om te lezen waar dat bijzondere oeuvre ook alweer over ging. Wat moet dat destijds een overdonderende ervaring geweest zijn voor een lezer: nog nooit van Nijhoff of Campert gehoord en dan nu ineens dit!

Een paar weken geleden, op vakantie in Friesland, kletterde ’s avonds de regen tegen de donkere ramen van het hotel. En wat kun je dan beter doen, dan je met een glas wijn en een vers gekochte dichtbundel op een rustige nacht voorbereiden.

 

Hoe ga je naar bed als je net een schaap hebt overreden, trillend op de

bedrand je koude handen als rauwe sukadelappen op je ogen […]

 

Kijk, dat noem ik nog eens binnenkomen. En dat zijn de eerste twee regels nog maar, het gedicht ‘Als het je overkomt’ dendert nog zestien regels door, lange regels en een waterval van metaforen. ‘Haar hoofd is een autocue’, ‘mooi weer spelen heeft meer met regen te maken’, ‘gedachten als een armband in elkaar klikken’, ‘het lichaam sissend als een verroeste barbecue’. Eén ding is nu al duidelijk: deze gedichten zijn niet om van te nippen, noch om een welverdiende nachtrust in te luiden. Aan het slot van het gedicht heeft trouwens ook de wijn zijn werk gedaan:

 

[…] Na twee glazen valt ze uit, krimp je ineen onder de lakens

 

als het schaap onder je autobanden, denk je aan alles wat ooit sneuvelde en een klap

met zich meebracht, je draagt dat met je mee tot je hart in een graf verandert, je hoofd

 

als een granieten steen erbovenop, eindelijk tot rust gekomen huil je wijn totdat het

niet meer om het schaap gaat maar om wie de bestuurder troost, jij arme, dwaze hond.

 

In zulke poëzie heeft ‘schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’ om Lucebert nog maar eens aan te halen. En zo stormt Marieke Rijneveld met haar debuutbundel de poëzie dus binnen. En net als bij Nijhoff of Campert zet het openingsgedicht de toon voor wat er komen gaat, een entree die zich niet licht laat vergeten.

Overdaad, dat is het eerste wat me te binnen schoot toen ik, nog niet echt lezend, door de 47 gedichten bladerde. Overdadig lange regels, overdadig veel beelden. En soms is de overdaad aan woorden zo groot, dat het gedicht de hele bladzijde van linksboven tot rechtsonder lijkt te vullen, zo als in het tweeluik ‘Dorst’. Maar ook al nijgen de teksten soms wat naar het anekdotische, nergens krijgt het verhalende element de overhand. Nee, met alle verbale geweld dat Rijneveld over de lezer uitstort, blijft het wel degelijk lyrische poëzie.

Waar is al die taal en al dat geweld voor nodig? Misschien licht het gedicht ‘Koortsmeter’ een tipje van de sluier op: ‘Als je twee mensen hebt van wie er één aan synchroon zwemmen doet / en de ander niet, gaat alles fout.’ Ik vind dat een prachtige zin, waarin veel van de poëzie van Rijneveld samenkomt. Allereerst is daar het ongerijmde. Hoezo één mens die aan synchroon zwemmen doet? Ik hoorde onlangs iemand zeggen: een seriemoordenaar die al na zijn eerste moord gearresteerd wordt, dát is pas een loser. Maar net zo min als dat één moord een serie is, kun je in je eentje iets synchroon doen. Dan gaat het niet fout, dan ben je geen loser, dan zit het je eenvoudig niet mee, heb je het gewoon niet helemaal begrepen – in de ogen van de goegemeente. Vroeger had de ‘ik’ dat ook al, lezen we verderop in het gedicht:

 

[…] dat wat in

het dorp mijn waarheid was, werd later mijn gebrek, alles wat ik zei met groene zeep

 

verwijderd. […]

Ik denk nog steeds aan mijn vaders woorden op vakantie toen we

 

klein waren en naar zee gingen, hij aan de zijlijn stond met zijn waterschoenen

aan, riep dat we nooit verder dan onze navel moesten omdat die diende als een

 

overloopopening zoals bij een wastafel, je anders zou verdrinken en je hoofd in

een zwanenhals veranderde.

 

Je eigen waarheid er op na houden (of die van je vader), geeft alleen maar problemen. Dat vraagt om een therapeutisch reinigingsritueel, al dan niet met groene weep. Overigens is er met die synchroonzwemmer nóg iets aan de hand. Er zwemt daar namelijk nog wel degelijk een tweede rond. Zit misschien dáár het probleem, dat die andere zwemmer weigert mee te doen? Dan gaat het dus niet fout, omdat er één zijn eigen dorpse waarheid verkondigt, maar omdat de ander die afwijst! Zoals het in dat openingsgedicht aan het eind niet meer over het ongemak van dat overreden schaap ging, maar om de troost die de bestuurder van de auto nodig heeft.

Het verschuiven van het beeld, het verleggen van de focus, daar gaat het toch altijd om in de kunst (en dus ook in de poëzie)! Marieke Rijneveld stelt in haar gedichten een wezenlijk poëticaal probleem aan de orde, het simpele feit namelijk dat je helemaal geen kunst nodig hebt, als je alleen de alledaagse werkelijkheid maar wil zien. En de al even simpele consequentie dat goede kunst en goede poëzie je dus iets anders tonen. En juist daarvoor heeft ze die overvloedige en beeldende taal nodig. Die beelden mogen best eenvoudig en begrijpelijk zijn. Graag zelfs, want juist dan dringen ze door tot waar het tenslotte om draait. Zoals in de tweede strofe van ‘Het ligt niet aan jou maar aan het huis’.

 

Zoals verdriet vergelijkbaar is met het vuilnis buiten zetten

niemand zie je het doen en toch staat het op maandagochtend aan de straat

sommige dingen doe je alleen in bed als de nacht in een zeil verandert

waar sterren vanaf tuimelen, op het dak vallen als knalerwten.

 

Hoeveel dichters wagen het om zóveel beelden op elkaar te stapelen die inhoudelijk bitter weinig met elkaar te maken lijken te hebben: verdriet-vuilnis-nacht-zeil-sterren-dak-knalerwten. Maar daar gaat het natuurlijk nou juist om. De werkelijkheid is niet altijd anders dan je denkt, hij is altijd anders. Het is een kwestie van accenten. Het enige dat nodig is, is de bereidheid om zelf ook (een beetje) anders te worden. Net als de ‘ik’ in de laatste strofe van de hele bundel, uit een gedicht (‘Oudjaar Kanaleneiland’) waarin ook de ‘arme, dwaze hond’ nog even terugkeert.

 

Nu we het arme beest niet meer gebruiken om te huilen zoals mijn strakke

shirts een negenjarige verbergen die maar niet wil bloeien, groeit tegelijkertijd

de hoop dat er uit mij iets nieuws kan ontstaan en dat zij hem weghaalt als de

lucht schoon is verklaard, de hond bij elkaar gezocht.

 

‘Iets nieuws’ laten ontstaan, is voor veel mensen wellicht wat hoog gegrepen, misschien ook voor de ‘ik’ uit deze intrigerende gedichten. Maar als ik in deze regels de belofte van een tweede bundel mag lezen, dan graag!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |