Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Robert Proost: Moeilijk woord voor drieluik. (2015) Tilburg: Uitgeverij Geroosterde Hond

Isbn 978 94 90855 10 9, €12,00, 50 blz.

 


 

 

 

Mens-erger-je-niet voor gevorderden  |

 

 

 

De poëzie is geen vetpot. Grote uitgeverijen houden er daarom meestal een tamelijk ondergeschoven deel van hun fonds voor vrij – gevuld met min of meer bekende namen en gedrukt in de zekerheid dat er wel weer een paarhonderd van verkocht zullen worden. De stille hoop op een onverwacht verkoopsuccesje sluimert er tussen de burelen. Looft daarom de Heer met snarenspel voor de kleine uitgeverij, waar bevlogen hobbyisten naast hun vaste baan in de avonduren mooie bundeltjes van onbekende dichters uitgeven. En waar ‘uit de kosten komen’ geen overweging van belang is.

Robert Proost is zo’n jonge dichter en Moeilijk woord voor drieluik is klaarblijkelijk al zijn tweede bundel. Maar het is de eerste die ik onder ogen krijg en ik moet zeggen: de kennismaking is allesbehalve onaangenaam. Proost bestrijkt in zijn gedichten het hele poëtische veld van kosmisch godenspel tot aardse humor. Dat maakt de hele bundel wellicht wat minder consistent, maar de gedichten afzonderlijk niet minder de moeite waard.

Als ik er toch een thematische draad in moet rijgen, dan is het er misschien een die ‘taal’ heet:

 

alle wijzen wezen alle sterren aan

beschreven welbedreven hun baan

en vertrokken nog voor zonsondergang

 

je kent het wel

 

een constellatie van hier en daar een asterisme

en ze verzinnen allerlei leuke neologismen

omdat woorden voor hun ontdekking nog niet bestaan

 

Zo begint het langere gedicht ‘intergalactisch houden van’, waarin alles draait om sterren, schijn en zwaartekracht. Maar, zoals de titel al aangeeft, dat allemaal in dienst van de liefde. Aan de basis van het gedicht ligt evenwel de vraag wat al die kosmische zaken waard zijn zolang er nog geen woorden voor bestaan. Een meer aardse uitwerking van die taalthematiek staat verderop in de bundel, in het sonnet ‘feniks’.

 

ik heb vandaag veel zinnen uitgesproken,

mijn zinnen op een boekenkast gezet,

met of zonder donderslag ik plet

mijn dag tot er geen bloemen uit ontloken,

 

maar vlees, visceraal, rood, opgezet,

pezig, opgezwollen, vet, ontstoken,

vocht en bloed en pus en vuur en rook en

as; een grauwe hoop nu opgelet:

 

was er eerst een grijs en doffe nacht,

herrijst er nu het rood en felle wezen

zacht uit lucht en vleugelvlucht bedacht,

 

liet het mijn boekenkast herlezen

de feniks kijkt, kraait, loert en lacht,

beleeft mijn leven, uit mijn vlees herrezen

 

Hoewel het gedicht onmiskenbaar over taal gaat (zinnen, uitgesproken, boekenkast), roept het toch nog de nodige vragen op. ‘Mijn dag’ in regel 4 interpreteer ik als ‘mijn groet’, gewoon om het taalthema even te volgen – en gesteund door de obligate bloemen die daarbij horen. Maar het is ook het daglicht dat geplet wordt tot alle leven eruit verdwenen is. Slechts vlees en bloed en ander slachtafval blijven achter en worden een grauwe hoop, donker als de nacht.

Maar als een feniks rijst de nieuwe dag op uit de dode restanten van de vorige. Die dag wordt weer een groet, begroet de zinnen en de boekenkast en geeft er nieuw leven en een nieuwe betekenis aan.

Aan de twee genoemde gedichten is met het grootste gemak een hele filosofie op te hangen over de betekenis van taal. Laat ik me hier tot een beschamend kleine aanzet beperken. Om te beginnen hebben de dingen taal nodig om betekenis te krijgen. Maar die taal verandert bovendien zelf van betekenis als de gebruiker er een nieuwe blik op werpt.

Dat is filosofisch ongetwijfeld tamelijk banaal en waarschijnlijk ook erg ondoordacht, maar voor de poëzie is het nogal wezenlijk. Niet alleen benoemt een gedicht allereerst een door de dichter gekende werkelijkheid, het is uiteindelijk wel de lezer die aan die taal doodgemoedereerd zijn eigen betekenis toekent.

Waarmee de volstrekt onzinnige schoolboekjesvraag (‘Wat bedoelt de dichter met…?’) wederom kan worden afgeserveerd. Niet alleen wij weten niet wat de dichter bedoeld heeft, dichters weten het vaak zelf ook niet, getuige de vele herzieningen en herschrijvingen die gedichten dikwijls ten deel vallen. Net zo min als dat het voor een goed kunstbegrip noodzakelijk is te weten wat Mondriaan met ‘Compositie 10’ bedoelde, hoeft de lezer te weten wat een dichter (bijvoorbeeld Proost) met een woord (bijvoorbeeld ‘mijn dag’ uit regel 4) bedoelt. Het gaat erom dat de lezer er zijn eigen betekenis in ontdekt.

 

Proost zelf verwoordt het bovenstaande exposé heel beeldend in twee kleine gedichtjes. Op bladzijde 23 staat ‘aarden’:

 

hou een blauwbruin-groene knikker tussen duim en wijsvinger

sluit een oog

en kijk ernaar

 

de aarde is dichterbij dan het lijkt

 

De neiging bestaat om nu meteen in allerlei overwegingen naar de dichtersintentie op zoek te gaan. En met de verhouding tussen knikker en aarde, werkelijkheid en verbeelding aan te komen. Dat mag, zolang het de lezing van de lezer is. Daar hoeft hij geen dichter bij te halen.

Tien bladzijden verderop staat het gedicht ‘ofzoiets’:

 

en dan was het iets met een knikker of zo

en dat ie die dan zo liet zien

dat ie blauw was

en dat moest dan de aarde voorstellen denk ik

 

Hier wordt het kosmisch-poëticale van het eerste gedicht wel erg krachtig en humoristisch gerelativeerd. Want deze regels vormen geen commentaar op dat eerdere vers. Nee, ze zetten de hoogdravende interpretatie (knikker/aarde, werkelijkheid/verbeelding) op losse schroeven.

Moeilijk woord voor drieluik eindigt met het lange gedicht ‘teerling’. Het noodlot, de ondergang van de aarde, neemt hierin inderdaad de vorm aan van een enorme verwoestende dobbelsteen die over de aarde rolt. Een fragment:

 

de teerling is geworpen

rolt over steden heen, vermorzelt

woonwijk, kerk, gerechtsgebouw

straten en musea, verpulvert

onze dromen, kent geen slaap

drijft driftig in ’t nauw, slaakt

luide, onbekomen kreten

is gewetenloos, bezeten

van zijn hexagonale landingsbaan

 

Presidenten waarschuwen, wetenschappers staan voor een raadsel, kranten leggen het fenomeen verkeerd uit en uiteindelijk weet niemand wat hij moet doen. De mensheid leeft in angst of stort zich in een bacchanaal. Goede raad lijkt duur. Hoewel:

 

maar blijft u zitten

blijft u kalm

blijf rustig dromen, pitten

snurken, niets aan de hand

laat het komen, ontspan

adem in, blijf ademen

adem uit, blijf lachen dan

neem een bad, zet wat thee

sms je lief, kijk wat tv

en ergert u zich vooral niet

mens, ergert u vooral niet

 

Met deze laatste woorden brengt het gedicht de lezer terug naar waar het allemaal om gaat: naar het spel dat de poëzie speelt met de werkelijkheid. Een soort Mens-erger-je-niet voor gevorderden. Het is misschien de dichter die de teerling werpt, maar het is de lezer die daar betekenis aan toekent. Aan hem de keuze tussen doodsangst en spelplezier.

En dat dit gedicht mij ook nog heel erg deed denken aan het ‘Bericht aan de bevolking’ dat Hugo Claus op 1 januari 1962 de wereld in zond, maakt het plezier er alleen maar groter op.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |