Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Sebastiene Postma: Trappen (2015)

Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact

Isbn 978 90 254 4518 8, €21,99, 48 blz.

 


 

 

 

Trappen, vallen en volhardend doorgaan  |

 

Een jaar geleden zond de BBC een televisieportret uit over de dichter Ted Hughes, waarin voor het eerst ook zijn (en Sylvia Plaths) dochter Frieda uitgebreid aan het woord kwam. Omdat Hughes sinds de zelfmoord van Plath in 1963 toch een beetje als de boeman van de Engelse literatuur door het leven ging, was het genuanceerde portret een welkome aanvulling op het al te negatieve beeld. Vooral Frieda schetste een liefdevol beeld van haar vader, van wie ze als kind onder andere had geleerd hoe je een das vilt. (‘Ik heb niet de minste behoefte om het hier te demonstreren, maar ik kán een das villen,’ legde zij weemoedig glimlachend uit.) Een toegewijde vader die zijn kinderen mee op avontuur nam, dát is haar herinnering.

Anderen vertellen in de documentaire hoe Hughes het in 1998 voor elkaar kreeg om heel Engeland aan de poëzie te krijgen. Op straat, in de metro, in restaurants, overal zag je mensen die in Birthday Letters zaten te lezen, zo brengt een van de geïnterviewden in herinnering. Het was er dan ook de bundel naar: voor het eerst sinds 1963 reageerde Hughes publiekelijk op zijn relatie met Plath – in poëzie, zoals het een dichter betaamt. Maar niet dan nadat hij aan zijn dochter had gevraagd of het goed was…

 

In haar debuutbundel Trappen geeft Sebastiene Postma ook een kijkje op de relatie tussen Hughes en Plath. Gedicht ‘VIII’ begint zo:

 

Sylvia Plath was ongeliefd.

Iedereen die haar ontmoette, vond haar

raar en agressief. Ze werd razend toen ze ontdekte

dat een vriendin met een potlood in haar boeken

had geschreven. De kanttekeningen randden

Plaths boeken aan. Ze pleegde zelfmoord

toen ze begreep dat Ted Hughes

van plan was bij haar weg te gaan.

 

Wat wij inmiddels allemaal wel weten: Ted Huges was misschien een onverantwoordelijke womanizer, maar Sylvia Plath had ook een gebruiksaanwijzing. Na dit realistisch aandoende begin veralgemeniseert het gedicht de anekdote in de tweede strofe:

 

Sommigen kunnen hun voeten niet

netjes op de regels van de tekst zetten

en zo naar de laatste bladzijde klimmen.

Die willen buiten de muurboom lopen of

op de stootborden, of een trede nog eens

met een extra wellat onderstrepen.

De ervaring leert dat wat

in de marge staat meestal

storende onzin is, een zinloze daad

van trapdrift. Bij het stijgen negeer

ik altijd zoveel mogelijk de aantekeningen.

Maar er zijn natuurlijk kanttekenaars die

lijnen kunnen aanvechten met marginalia

zodat opeens een trapleer ontstaat.

 

De metafoor van de trap (niet onverwacht in een bundel die Trappen heet) verenigt zowel begrip als nuance bij Plaths agressieve reactie op het gekrabbel in boeken. Natuurlijk moeten mensen met hun potlood van andermans boeken afblijven. Maar houd oog voor die zeldzame gevallen dat er een geheel nieuw en uniek bouwwerk ontstaat. Het afsluitende distichon omvat ook allebei deze opvattingen.

 

Was er maar geen witte rand.

Was het hele vel maar gevuld.

 

Ja, als het bestaan geen marges meer kent, als het hele vel gevuld is, hoef je ook geen invloeden van buitenaf meer te vrezen. Alles is onder controle! Maar in het echte leven barst het van de witte randen. Geen nood, zo interpreteer ik die laatste regel, ook dan zal straks het hele vel gevuld zijn. En dat op een misschien wel aangenaam verrassende manier.

 

Bovenstaand stramien hebben alle gedichten in Trappen: eerst een anekdote uit (meestal) de Engelstalige poëzie, dan een verdieping met een ‘trappen’-metafoor en tot slot een tweeregelige afronding, zoals we die kennen uit de beste traditie van Shakespeares sonnetten. Als ik dat zo neerschrijf, lijkt het om een tamelijk saai procedé te gaan, maar niets is minder waar. Trappen is een mooie en spannende bundel die in 39 gedichten (het veertigste is ‘slechts’ een overzichtelijk tableau de la troupe) 54 personages de revue laat passeren, en die alle metaforische mogelijkheden van ‘trap’ (‘ladder’, ‘schop’, ‘val’ en nog veel meer) creatief uitbuit en die iedere lezer zich bij al die voorbeelden vragen over zijn eigen leven laat stellen.

Natuurlijk heb je bij deze bundel de neiging om op zoek te gaan naar je eigen favoriete personages. Ik begon ook niet voor niks met Plath en Hughes. Laten we eens iets verder terug in de tijd gaan en lezen wat gedicht XVII over George Gordon (Lord) Byron te melden heeft.

 

De grootste alpinist was Byron.

Hij deed de wereld geloven

dat hij een gevallen engel was.

Eindelijk neerstorten én stijgen.

Zijn volmaakte gelaat

en zijn misvormde voet

leverden het bewijs. 

 

Waarna Byrons promiscue levenswandel aan de orde komt, inclusief de vermeende seksuele relatie met zijn zus. In de tweede strofen worden het klimmen en het minnen misschien net iets te plat als metafoor voor elkaar verbeeld (‘Hij besteeg zo vaak mogelijk / een warm vreemd lichaam onder hem. / Eerst trok hij zich op aan een ronding of uitsteeksel.’ Enzovoort), waarna het afrondende distichon ons, de lezers, weer even op de plaats zet:

 

Het is een coïtussymbool.

Maar Freud vergeet de rest.

 

De platheid die ik constateerde, zit vooral in mijn eigen, door Freud geconditioneerde hoofd. Maar er is natuurlijk meer. De gevoelens, de gedachten, de beweegredenen van Lord Byron zijn niet eenvoudig terug te brengen tot zijn handelingen. En die van andere mensen derhalve ook niet.

 

De trap symboliseert in deze gedichten ook de vaak moeizame weg van de dichter. Soms letterlijk, zoals in de regels ‘Uiteindelijk lag Keats verslagen / onder aan de Spaanse Trappen in Rome’ (gedicht III). Soms meer verhullend, als in ‘Je zette onbedachtzaam je voet neer / omdat je iets van lekkere realiteit rook, / en bam… als de kaken van een roofdier om zijn prooi / klapten de traparmen boven en onder dicht. / Ze zetten meteen hun treden in je enkel’ (XXXIV). Het distichon onder dit laatste gedicht spreekt poëticaal ook boekdelen:

 

Altijd dezelfde shit met klemmen: heb je je er net van een bevrijd,

blijkt dat je toch weer in een andere zit.

 

Hier komt de ‘trap’ als ‘val’ wel heel letterlijk naar voren. Maar ook in het voorafgaande XXXIII gaat het al het over falend en in de val gelopen dichterschap. Zonder dat zijn naam valt, komt hier via een beroemd citaat ook Samuel Becket aan het woord voor wie falen een essentieel onderdeel van het kunstenaarschap vormde:

 

Het is opeens in de mode

om het de godganse dag over niets anders

dan vallen te hebben.

Je moet door de hel

om bij de hemel te komen, zeggen ze allemaal.

Of: ‘Ever tried. Ever failed. No matter.

Try again. Fail again. Fail better.’

(Augustinus)

Of: ‘De trap naar boven en naar beneden

zijn één en dezelfde.’

Vallen is baarlijk als je iedereen moet geloven.

Falen is zoveel oprechter dan de vlucht.

Ik val (echt ik zweer het) voortdurend

en vallen blijft maar een val, verdomme.

(Zucht)

 

Wat doet ‘(Augustinus)’ daar, parallel aan het afsluitende ‘(Zucht)’? Is het een verwijzing naar zijn boek over de volharding, De dono perseverantiae? Wellicht. En minstens zo interessant: hoeveel ambiguïteit kan een tekst bevatten? Postma gaat zich hier heerlijk te buiten aan elke inhoud die ‘trap’ en ‘val’ kunnen bevatten. En zo kan uiteindelijk zelfs regel 9 gelezen worden als ‘een val naar boven en een val naar beneden’. Voor wie er oog voor heeft is zoiets smullen. Maar ook als je liever iets eenduidigs leest, kun je met ‘trappen-vallen-falen’ waarschijnlijk goed uit de voeten.

Trappen van Sebastiene Postma is op meerdere fronten een avonturenpark voor de poëzieliefhebber. De realistisch aandoende anekdotes over meest Engelse literatoren, de poëtische verdieping die ruimte geeft aan de individuele lezer en de Shakespeareaanse disticha als afronding van ieder gedicht zijn voor een goede bundel in feite al meer dan genoeg. De taalrijkdom en het kennelijk plezier waarmee de dichter haar poëzie aan het papier heeft toevertrouwd tillen de bundel vervolgens ver boven ‘gewoon goed’ uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |