Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Ester Naomi Perquin:

Meervoudig afwezig (2016)

Amsterdam: Van Oorschot

Isbn 978 90 282 6163 1, €16,99, 40 blz.

 


 

 

 

Geen korte, lichte taal, geen klare lijn  |

 

 

Een mens kan het beter treffen: je bent nog maar net een paar weken Dichter des Vaderlands en dan gaat de enige dichter die iedereen kent dood. Natuurlijk wil je de prominente overledene dan eren, in inhoud én in vorm. Want sinds Willem Kloos propageerde dat inhoud en vorm één zijn (en zelf vervolgens louter sonnetten schreef), weet iedere dichter dat het een niet zonder het ander kan. De dichter probeert ‘de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen’, aldus Lucebert, om een paar regels verderop te stellen: ‘in deze tijd heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand’. Met deze twee citaten in de hand kun je als zichzelf respecterend dichter de harde realiteit toch niet meer in prachtig gestileerde strofen vangen?

Ester Naomi Perquin is zo’n goede dichter die dat niet kan. Maar ja, dan overlijdt die aardige Dick Bruna, die natuurlijk eerder tekenaar dan dichter was. Er daar moet je als Dichter des Vaderlands wat mee. Geheel in de stijl van Nijntje Pluis schreef zij daarom op 18 februari in NRC Handelsblad:

 

er zijn maar weinig hoofden

waarin niet ergens achteraan

een boek ligt opgeslagen

van nijntje met een traan

 

soms was nijn zelfs het eerste

dat je begreep van een gedicht

twee stippen werden ogen

de taal werd kort en licht

 

groots is voor klein te maken

een woord, een klare lijn

de hele wereld in een blik:

dag lieve vader nijn

 

Zoals ik al zij: een mens kan het beter treffen. Gelukkig verscheen kort vóór de benoeming van de laureaat nog de bundel Meervoudig afwezig. Lees, om de balans te herstellen, het volgende gedicht maar eens:

 

Een man vroeg waar het gedicht zat. Het was nacht, ik had al

uren niet geslapen. Ik zat rechtop en schreef. Waar

zat het primaire, het bestendigste gedicht,

dat ik nu al weer moest schrijven?

 

Hij legde zijn vingers op mijn borst, bewoog ze traag naar

het hart – ik schoot in de lach. Daar toch niet, zei ik.

Daar zit wat afleidt: een warm huis. Een tuin

omzoomd door bomen, een moeder

die taarten bakt en altijd blijft.

 

Waar, vroeg de man. Waar dan? Hij raakte ongeduldig hals,

hoofd, gleed met vingers langs mijn oren, woelde

door mijn haar. Ik schreef, zei niets.

 

Het gedicht zit waar je wacht te worden aangeraakt.

Verhongert daar.

 

Kijk, dat is andere koek. Geen korte, lichte taal, geen klare lijn. En toch lijkt de beschreven situatie in eerste instantie best realistisch. De dichteres en haar geliefde liggen in bed en bespreken de vraag waar poëzie precies ontstaat. Zoiets kun je kil, zakelijk of filosofisch doen. Hier gebeurt het met een romantische ondertoon. De man legt (verlangend, stel ik me zo voor) zijn hart op haar borst en suggereert het hart als broedplaats van poëzie. ‘Daar zit wat afleidt’ wijst de dichter dat idee resoluut van de hand – en plaatst zich daarmee in een poëticale traditie die onderscheid maakt tussen de fysieke beleving, inclusief gevoelens, en de poëtische weerklank van die beleving. ‘Een dichter schreit niet’ verwoordde Nijhoff dat idee al.

Een logisch vervolg van de zoektocht naar de oorsprong van de dichtkunst zien we in de derde strofe. Als het het hart niet is, dan zal het het hoofd wel zijn. Maar nee, lezen we aan het slot. ‘Het gedicht zit waar je wacht te worden aangeraakt. / Verhongert daar.’ Deze regels bevatten een paar eigenaardigheden. Om te beginnen het woord ‘wacht’, waar je wellicht eerder ‘verwacht’ zou willen lezen, alsof een gedicht ontstaat vanuit hoop op een aanraking, die natuurlijk niet per se fysiek hoeft te zijn. Maar er staat ‘wacht’. En dat klinkt nóg lijdzamer dan ‘verwacht’. Het is een soort verwachten, maar dan zonder hoop op vervulling.

En dan dat schrijven. Zowel in de eerste als in de derde strofe meldt de dichter: ‘Ik zat rechtop en schreef’ en ‘Ik schreef, zei niets’. Het herinnerde mij in eerste instantie aan een vervelend manco in de vroege briefromans uit de achttiende eeuw: zolang de schrijver schrijft, gebeurt er niks en als er wél iets ernstigs plaatsvindt, dan wordt er niet geschreven en hebben we dus geen verhaal. Henry Fielding parodieerde dit probleem al in 1741 messcherp in zijn Shamela, waarin een aangerande vrouw zich tegelijk slapend houdt en doorschrijft zonder dat haar aanrander het merkt. De man die haar borst streelt terwijl zij schrijft, zette mij op dit valse spoor. Maar er is hier natuurlijk geen sprake van zo’n onmogelijke situatie. In dit gedicht gaat het over een eerdere fase: het schrijven, nog voordat er één letter op papier staat, de fase van ‘het primaire, het bestendigste gedicht’ dat ‘wacht te worden aangeraakt.’ Maar al te vaak is dat wachten tevergeefs, aldus de laatste regel.

Dat het schrijven, of liever het opschrijven, later alleen nog een kwestie van formuleren lijkt, hadden we al in het openingsgedicht ‘Housekeeping’ kunnen lezen. Daarin keert een ik-figuur terug in een hotelkamer die wel héél overdreven schoongemaakt is. Zelfs het plafond is gewit en ook de jurken en laarzen van de hotelgast zien er een stuk beter uit. En dat niet alleen:

 

[…], het gedicht

waar ik die nacht aan begonnen was lag afgemaakt

op de glazen tafel naast het bed

 

en in een mij onbekend handschrift waren de woorden gevonden

voor de naamloze leegte waarin ik nooit durfde blijven,

[…]

 

Het was beter dan wat ik ooit had kunnen schrijven, het brak

met iedere herinnering. Toen ik vertrok gaf ik een fooi van

(omgerekend) één volwassen mensenleven

en twee dagen van vertwijfeling.

 

Let op, de hulpvaardige onbekende heeft het gedicht niet geschreven, maar afgemaakt. De dichter is blij met de trefzekere woordkeus, maar kan dat natuurlijk alleen maar zijn, als de basis, het primaire gedicht, al af was. Het teruggevonden gedicht is niet goed geschreven, maar goed geformuleerd.

Het is een indringende visie op poëzie, die precies aangeeft waarom gedichten lezen zo belangrijk is, dat wij er onze leerlingen mee lastig moeten blijven vallen. Niet omdat ze zo mooi zijn, maar omdat ze zo waar zijn. Klein, maar tegelijk zo groot dat ze over ieders wereld gaan. Iets wat we dan misschien toch een piepklein beetje ook weer bij Dick Bruna terug zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |