Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

Ester Naomi Perquin: Celinspecties (2012). Amsterdam: Van Oorschot.

Isbn 978 90 282 4195 4, €14,50, 72 blz.

 

 

 

 

Een dag in andermans leven  |

 

 

Ester Naomi Perquin debuteerde in 2007 met de bundel Servetten halfstok. In 2009 verscheen Namens de ander en begin dit jaar lag Celinspecties in de winkel. Drie bundels in zes jaar mag je in de poëzie gerust een pittige frequentie noemen. Maar het is een frequentie die de dichter kennelijk aan kan, zeker gezien het feit dat ze met haar eerste tweetal maar liefst zes keer in de prijzen is gevallen, waaronder zeker niet de minste (o.a. de Debuutprijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de J.C. Bloem-poëzieprijs en de Anna Blaman Prijs). Bovendien is Perquin sinds januari 2011 stadsdichter van Rotterdam, een functie die ook enige publicatiedrift vereist.

De gedichten uit Celinspecties hebben een aantal eigenschappen die ik zeer in poëzie waardeer. Bedrieglijk toegankelijk taalgebruik, bijvoorbeeld. Illustratief zijn de openingsregels van de bundel.

 

Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven, andermans

autorijles, boodschappenlijstjes, college, in andermans

aarzelingen, beginnende benen op dansles.

 

En overal wist ik de weg, […]

 

Het begint zo lekker gewoontjes, jezelf laten vallen. Maar meteen daarna komt de onrust al. Kun je je in andermans leven laten vallen? Wellicht. En wat moet je je daar dan bij voorstellen? Ik denk meteen aan ‘overrompelen’. Maar (nog erger?) staat dat er eigenlijk wel? Want ‘in andermans leven’ kan natuurlijk ook een nabepaling zijn bij ‘die dag’. Waarmee ‘die dag in andermans leven’ mogelijk naar een zeker moment in een andere dimensie verwijst.

Gezien de rest van de bundel is dat nog niet eens zo’n roekeloze gedachte. Want na twee inleidende gedichten (‘liet me argeloos vallen’ en ‘binnen beperkingen’) komen de Celinspecties op gang. Tien cellen mét hun bewoners. Uiteraard met hun namen afgekort, zoals wij dat in Nederland gewend zijn. De criminelen passeren in alfabetische volgorde (van Frans van A. tot Michael van W.) en in Perquins gedichten vallen wij inderdaad in hun leven en in hun hoofd. Soms heel letterlijk, zoals in het gedicht ‘Iets vertellen’  waarin Frederik C. de gevangenispsycholoog (stel ik me zo voor) observeert:

 

Soms volg ik tijdens het gesprek

zijn ogen en hoe hij lijkt

te zoeken in mijn hoofd.

 

Of daar is opgeruimd, of

alle rompslomp in

betreffende containers

is verdwenen en

gedachten weer als nieuw.

 

Hij wil dat alles hierboven

schoner, beter wordt – ik

denk aan emmers sop

 

die ik met elk verhaal

voor hem naar boven takel,

op zijn bureau mijn

mond uitstort.

 

Het is dat de zinnen op vreemde plekken worden afgebroken, anders had het zomaar proza kunnen zijn. Lijkt het. Maar ook hier bedriegt de poëtische schijn. Het doodsimpele gegeven dat het een gedicht is, verklaart namelijk al voor een deel onze argwaan. Waarom zijn deze regels hier afgebroken? Waarom moet deze ogenschijnlijk heldere observatie per se een gedicht zijn? Wat betekent dat? Nou, in de eerste plaats dat het klaarblijkelijk geen heldere observatie is. Althans niet alleen maar. Want een gedicht heeft de bijzondere eigenschap dat er altijd meer staat dan er staat. En dat dat ‘meer’ is doorgaans voor iedereen wat anders. Zo zijn de gevangene en de psycholoog in dit gedicht volkomen inwisselbaar. Zoals de één naar de ander kijkt, kijkt de ander ongetwijfeld terug. Er is voor de psycholoog niet veel nodig om zelf Frederik C. te worden. En ook voor de lezer is dat een koud kunstje. We hebben hem immers al leren kennen als iemand die nadenkt. Over de kracht van de taal bijvoorbeeld. Als een dichter:

 

In plaats van moordenaar

kies je “dader”. Ruimtelijker. Minder beladen.’

 

Een veroordeelde die zijn woorden kiest om het ruimtelijk effect, kan het poëtischer?

De verwevenheid met taal komt ook in de gedichten over (of van) Menno F. naar voren. Ik geef de eerste twee strofen van ‘Brieven onder nummer”.

 

Eerst moet je leren schrijven aan een vrouw (een brief

die vreemden onder ogen komt, wordt uitgespeld)

die om je regels heen haar lippen likt,

dat stukgezeten lijf van jou

schoonmaakt, oplapt.

 

Wat jij hiervoor ook was, schrijft ze, telt niet echt,

het was vergeefs, ik was er nog niet bij –

 

Op allerlei manieren komen de taal en de werkelijkheid hier bij elkaar, soms in een bijzin (‘die om je regels heen haar lippen likt’), soms zelfs in een enkel woord. Komt ‘uitgespeld’ van ‘spellen’ of van ‘spelden’? En verwijst het dan misschien naar de prikkel die ook Menno F. tenslotte tot een moord bracht?

Ook de tweede hierboven geciteerde strofe schreeuwt om aandacht. Een vergevingsgezinde vrouw is bereid het verleden van de moordenaar opzij te schuiven. Ze houdt blijkbaar van de gevangene, maar wil zijn verleden graag buiten de deur houden. Het bijzondere is, dat er in deze twee regels geschreven wordt. Met haar opmerking dat alles van vóór haar schrijven zinloos was, of zelfs ontkend kan worden, plaatst de schrijvende vrouw zich bijna in een modernistische traditie van een werkelijkheid die niet bestaat, zolang hij niet geschreven is. (Denk aan Vestdijks Terug tot Ina Damman, waarin het bruine notitieboekje belangrijker is dan Ina zelf. Zodra het daarin genoteerd is, is het echt.)

Aan het eind van dit gedicht komen taal en lichaam nogmaals samen in de wonderlijke (en wonderschone!) opsomming ‘gladgeschoren, fris gedoucht en zwijgzaam’.

 

Een cel verder, die van David H., komen we weer zoiets tegen. ‘Onze taal / vol kogels, ziektes, lichaamsdelen’ heet het daar. Bij Dennis de K. lezen we ‘Moet ik de hele mikmak schriftelijk tevoorschijn halen?’, terwijl verderop sprake is van ‘T-shirts met opdruk’. Bij Bart V. komen we een man met een leesbril tegen, en geleerden die hoorbaar ‘woelen op papier’, terwijl hij aan het eind van zijn gedichtenreeks losse woorden uit een telefoongesprek opvangt: ‘wie denk je dat je bent’. Dichter kunnen taal en werkelijkheid elkaar niet naderen.

En in de laatste cel, tenslotte, zit Michael van W. die zich afvraagt of er een woord bestaat voor zijn specifieke moordlustige gekte.

 

Daarmee gaan de gedichten van Perquin niet alleen over het leven in de gevangenis, dat ze trouwens uit eigen ervaring kent – maar dan wel vanaf de ‘goede’ kant van de celdeuren. Deze poëzie gaat vooral over taal. Het laatste gedicht, over Bennie die dood in zijn cel werd gevonden, heet zelfs ‘Lied’. De taal hakt er nog even stevig een slotakkoord uit. Bijvoorbeeld in de woorden van Bennies moeder, die telefonisch op de hoogte wordt gesteld van het overlijden van haar zoon: ‘’ ik schrok pas / toen ze zei het is voor u vast ook / een sombere dag.’ Vervolgens blijkt dat niemand geïnteresseerd is in Bennies laatste woorden, behalve een cipier, de ‘ik’ in dit gedicht. Die laat de bundel eindigen met een navrant:

 

Maar jij zei: mijn laatste adem wil ik graag voor thuis bewaren

en ik lachte om je woorden, lachte even om je Bennie.

Sloot de deur achter je.