Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Bert Paasman en Peter van Zonneveld (ed.): Album van de Indische poëzie (2014)

Amsterdam: Uitgeverij Rubinstein

Isbn 978 90 476 1381 7,

€29,95, 234 blz. met cd

 


 

 

 

Een poëtische geschiedenis van Isulinde  |

 

 

 

Wat is de overeenkomst tussen Willem Bilderdijk, Leo Vroman, S. Vestdijk, Lucebert, Adriaan van Dis, Multatuli, J.J. Slauerhoff en Joost van den Vondel? En wat hebben deze literaire reuzen op hun beurt weer te maken met Drs. P., Jan Boerstoel, Ernst Jansz, Noto Soeroto, Wieteke van Dort en Leo Lezer? Het antwoord: ze staan allemaal in het literaire geschiedenisboek Album van de Indische poëzie.

Want een geschiedenisboek is het, dit album. In tien hoofdstukken en 224 gedichten passeren alle aspecten van ons koloniale verleden de revue. Vanaf de eerste niet ongevaarlijke bootreizen in de zeventiende eeuw tot aan het heimwee naar tempo doeloe, de tijd van toen.

Behalve een koloniale geschiedenis is het ook een literatuurgeschiedenis. Ten onrechte vergeten dichters krijgen weer het woord, om hun deel van meer van vier eeuwen Nederlandse historie over het voetlicht te brengen.

Zoals Joannes Antonides van der Goes, in 1669 korte tijd lid van het vernieuwende Amsterdamse dichtgenootschap Nil Volentibuus Arduum en vooral bekend van zijn gedicht Ystroom. Hem leek Java (hij is er zelf nooit geweest) nog een schat die bevochten moest worden, getuige deze regels uit ‘Aankomst in Batavia’:

 

Zo streven we op, nu daar ’t bevroze Noorden beeft,

Nu daar het Zuiden wordt gebraden van den Kreeft,

En onderstaan twee maal, in ’t moedig henebruisen,

Den ongemeten riem des aardkloots door te kruisen,

Totdat Batavia ons verwelkomt op het slot,

Dat even fier ’t geweld van ’t machtig Java knot,

 En velt de benden van Makasser voor zijn voeten,

En ziet d’opgaande zon zijn mogendheid begroeten.

 

De opgenomen poëzie vertegenwoordigt vele invalshoeken. Zoals de Goede Nederlander die beschaving komt brengen aan een volk van wilden, zoals in deze strofen van Jacob Steendam (1615-1672):

 

[God] heeft voor ons, met ons gestreden,

en onze haters ’t hoofd vertreden;

Hij heeft ze uit haar troon verjaagd;

Hij geeft an ons haar vastigheden,

Hij heeft haar, om haar valse eden,

op ’t alderschrikkelijkst geplaagd.

 

Want ook al zijn de Nederlanders dan geen lievertjes, god weet voor wie hij partij moet kiezen:

 

Schoon dat ook zoveel grote zonden

en gruw’len onder ons bevonden,

Hem tergen tot een strenge wraak,

’t Heeft hem beliefd ons noch te sparen

voor deze wrede Macassaren,

dat is een ongemene zaak.

 

Komen hier de Nederlandse wandaden al enigszins beschroomd ter sprake, in de loop van de eeuwen neemt ook de kritiek op het optreden van het Nederlandse leger toe. Bij Multatuli uiteraard, wiens ‘Lied van Saïdjah’ is opgenomen. Met emotionele en wanhopige regels als:

 

Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen,

Als de sterren niet meer zullen schitteren,

Als de melatti niet meer welriekend zal wezen,

Als er niet langer bedroefde harten zijn,

Noch wild gedierte in het woud…

Als de zon verkeerd zal lopen,

En de maan vergeten wat oost en west is…

Als dàn Adinda nog niet gekomen is,

Dan zal een engel met blinkende vleugelen

Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef.

Dan zal mijn lijk hier liggen onder de ketapan

Mijn ziel is bedroefd… Adinda!

 

Natuurlijk, Saïdjah zingt hier als een negentiende-eeuwse West-Europese romanticus. Maar de woorden zijn er niet minder indringend om. En dan duurt het nog eens negentig jaar voordat de afschuw en het verdriet een literaire climax bereiken in de slotregels de ‘Minnebrief voor onze gemartelde bruid Indonesia’ van Lucebert. Dan geeft de taal zich zelfs gewonnen, en de dichter snakt naar adem.

 

ik ben de bruidegom zoete boeroeboedoer

hoeveel wreekt de bruidegom de bruid

als op java plassen bloed zij stuiptrekt

uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen?

 

Het meest pijnlijke hoofdstuk uit de bundel is overigens niet dat waarin de strijd en het verzet ter sprake komen. In ‘Houd ’t liever met een zwarte meid’ doet met name de vanzelfsprekendheid pijn, waarmee een inlandse concubine door veel Nederlandse mannen werd ‘aangeschaft’, gebruikt, afgedankt en ingeruild voor een nieuw jong meisje. Er heerste een Europees mannenoverschot, nietwaar. En dat de vanzelfsprekendheid schijnbaar van twee kanten kwam, schuurt wellicht nog het meest. Zoals de ‘Maleise min’ in het gedicht van Tijs Volker ons inwrijft.

 

De drempel van uw deur

bewaakt den toegang,

uwer haren geur

is melodie van mijn zang.

 

Het gras is hoger dan het graan

uw zonden uwer deugden heer;

ik keer mij van u – waarvandaan

komt dat ik tot u wederkeer?

 

Als gij droomt: de kampong brandt

en alle tongtongs slaan,

dan zult gij slapende verstaan

mijn hartslag en ge zoekt mijn hand.

 

[…]

 

Laat ons vanavond koken rijst

en morgen djagoengmeel,

als gij deze nacht mij prijst

is morgen dat te veel.

 

De blaren drijven met den stroom.

Als ik u zeg: vaarwel, vaarwel;

o eindelijk begrijp ik wel:

zijn blad verliest elken boom.

 

En dan is er natuurlijk de nostalgie, het terugverlangen naar iets wat er nooit geweest is. De bezorgers van het album stellen in hun ‘Inleiding’ terecht dat Indië een wezenlijk element vormt van onze cultuur. Maar bovenal, Indië bestaat niet meer. ‘Zo kan ieder vanuit zijn eigen achtergrond een beeld van Indië koesteren, dat afwijkt van wat Indië voor anderen betekent.’ Ware woorden. Daarom is, op het gevaar van goedkoop sentimentalisme af, het laatste hoofdstuk nog wel het meest actuele. Daarin staan de gedichten van heimwee en van opluchting, van herinnering en van weemoed. De baaierd van tegenstrijdige gevoelens komt, mooi verwoord, terug in het sonnet ‘Indisch meisje’ van Cola Debrot.

 

Het innig beeld van haar mij bijgebleven

heeft zich vermengd met laatre werkelijkheden.

Tot mijn geluk. Want anders was mijn heden

zeer vaal, o, niet zo glinsterend doorweven.

 

Ik immers ben geland op vele reden

waar eerst de palmen uit de verte wuiven.

Men ziet daarna de grote stofwolk stuiven

tussen de mensen, wrang en ontevreden.

 

Zij was zo jong. Zij had zulk lieve handen.

Zij kwam uit Padang en zij sprak van Indië

met de verschikte ogen van een hinde

alsof zij in het ver groen land belandde

waar zij steeds mij, ook ik steeds haar beminde…

Dit land is, wreed verwoest, niet meer te vinden.

 

De bundel eindigt met ‘De oude school’ van Willem Wilmink, jaren geleden een bescheiden hit van cabaretgroep Don Quishocking. Een sentimenteel lied over vroeger en wat daar nog van over is. Van de oude school zal best nog een hoop bewaard zijn gebleven, stelt de dichter.

 

alleen die mooie lichte plaat

waarop een kleine dessa staat,

is misschien weg.

 

Het Album van de Indische poëzie is er voor in de plaats gekomen. Een waardige vervanger, niet alleen vanwege de poëzie, maar ook door de schitterende tekeningen en schilderijen die als illustraties zijn opgenomen. En de cd waarop Willem Nijholt 44 gedichten voorleest.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |