Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Ramsey Nasr: Dichter draagt voor.

21 verfilmde gedichten (2013)

Amsterdam: De Bezige Bij

Isbn 978 90 234 7488 3, €7,50, 80 blz.

(zie ook: digidicht.nl, dichtvorm.nl, dichterdraagtvoor.nl)

 

 


 

 

 

En waar is Egidius gebleven?  |

 

 

 

Poëzie is belangrijk en mooi, maar poëzielessen zijn levensgevaarlijk. Want ondanks de beste bedoelingen kan er best een hoop mis gaan. Dit tot wanhoop en verdriet van de enthousiaste leraar die eerst een hele avond gezocht heeft naar dat ene gedicht dat zijn leerlingen toch zeker zal aanspreken. En die zich vervolgens minstens nóg een avond het hoofd gebroken heeft over de vraag hoe hij dat prachtige gedicht het beste aan de man kan brengen. Zonder gevaar voor al te veel omgevingsschade. Want als het mis gaat, klikt het niet alleen niet tussen de leerlingen en deze tekst. Hun afkeer van poëzie in het algemeen kan ook nog eens flink aangewakkerd worden. Waarmee ook een hoop andere gedichten onherstelbare schade oplopen. Omgevingsschade dus.

 

Natuurlijk, iedereen weet intussen wel dat vragen als ‘Wat bedoelt de dichter met…?’ een hoog stompzinnigheidsgehalte hebben, ook al staan ze nog steeds in alle schoolboekjes. Niet alleen kán een lezer dat nooit weten, hij hóeft het ook helemaal niet te weten. Beter van niet zelfs. Juist de rijkdom van alle mogelijkheden buiten de dichtersintentie om, maken gedichten pas interessant. Harry Mulisch heeft het ooit treffend geformuleerd: als er in een tekst niet méér zit dan de schrijver erin gestopt heeft, stelt hij literair gesproken waarschijnlijk niet zo heel veel voor. Of, poëtischer geformuleerd: ‘Jij hebt de dingen niet nodig / om te kunnen zien // De dingen hebben jou nodig / om gezien te kunnen worden’ (K. Schippers).

Een ander gevaar is dat poëzieonderwijs vaak blijft hangen bij formele kwesties. Het benoemen van strofenbouw, rijmvormen en stijlfiguren heeft bitter weinig met poëzie te maken. Als een leerling een gedicht als sonnet herkent, weet je dat hij tot veertien kan tellen. Meer niet. Toch krijgen dat soort vragen vaak erg veel aandacht, omdat de antwoorden vast liggen. Iets is een kwatrijn, omarmend rijm of een chiasme, óf het is het niet. Goed of fout. Daar kun je tenminste nog eens een proefwerk over geven. Maar poëzie laat zich niet categoriseren in goed of fout (en leent zich misschien dus ook niet zo goed voor een proefwerk). Over poëzie moet je praten. Interpretaties afwegen en bij elkaar optellen.

 

Natuurlijk moeten poëzielezers daar dan wel over leren praten. Poëzielessen zijn praatlessen. En luisterlessen. Want de ideeën van andere lezers, soms flarden en soms complete interpretaties, zijn minstens zo interessant als de eigen gedachten. In Dichter draagt voor visualiseren de broers Ramsey en Shariff Nasr 21 gedichten uit de Nederlandse literatuur. In een ‘Ten geleide’ spreken zij de hoop uit dat de verfilmingen ‘de meerduidigheid en multi-interpretabiliteit [wat is het verschil? JdJ] van de gedichten zelf’ niet in de weg zitten.

Dat valt te bezien. Natuurlijk zijn de verfilmingen interpretaties. Bij voorbeeld bij dit bekende gedicht van Lucebert:

 

er is een grote norse neger in mij neergedaald

die van binnen dingen doet die niemand ziet

ook ik niet want donker is het daar en zwart

 

maar ik weet zeker hij bestudeert er

aard en stuktuur van heel mijn blanke almacht

 

hij morrelt eerst aan halfvermolmde kasten

dan voel ik splinters schieten door mijn schouder

nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst

te veel slaven trok ik af van de belasting

Het bijbehorende filmpje toont niet de zelfverzekerde Nederlander die ik me daar altijd bij heb voorgesteld, een man wiens zekerheden langzaam maar zeker van binnenuit ondermijnd worden. Nee, we zien een zeer autochtone man in het eentje bij een Rotterdamse tramhalte zitten. Terwijl de stem van Ramsey Nasr langzaam het gedicht voordraagt, wordt het allengs drukker bij de halte. Allemaal Rotterdammers met een kleurtje. De mensen praten met elkaar, lachen, zoals mensen dat doen die op de tram wachten. Alleen onze eenzame autochtoon maakt geen contact. Hij kijkt zwijgend en peinzend voor zich uit. En hij voelt zich (mijn interpretatie!) niet op zijn gemak. De grote norse neger die zijn zekerheden aantast, heeft al veel eerder toegeslagen.

Natuurlijk, het filmpje biedt één interpretatie. Maar wel eentje waar ik zelf nooit opgekomen was, omdat Nasr het gedicht bevrijdt uit de beperking van het verleden en het van 1959 naar 2014 haalt. Hiermee heeft het een nieuwe actualiteit gekregen en is het een rijker gedicht geworden. Maar natuurlijk werkt zo’n filmpje pas als je je al een idee over het gedicht gevormd hebt. Net zoals praten over poëzie dan beter lukt.

Het actualiseren heeft soms ook een ander effect. Bij ‘De idioot in het bad’ van M. Vasalis heb ik bijvoorbeeld altijd een betrekkelijk jonge patiënt voor ogen gehad. In Nasrs verfilming zien we evenwel een bejaarde man. De handeling volgt de tekst verder tamelijk nauwgezet. Alleen de leeftijd van de idioot in dat bad klopt niet. Wil dit filmpje mij op het pijnlijke feit wijzen, dat er sinds 1940 eigenlijk niets veranderd is? De idioot is inmiddels oud, maar verder is alles bij het oude gebleven? Of kaart het een nieuw probleem aan: de vaak bekritiseerde zorg in onze moderne verpleeghuizen, waar dementerende bejaarden te lijden hebben onder pyjamadagen en beperkte wasbeurten? In dat geval roept de film plotseling een ander gedicht in mij wakker: ‘alles blijft / alles gaat voorbij / alles blijft voorbijgaan’ van Jules Deelder. Toch een tekst die ik op eigen houtje nooit met ‘De idioot in het bad’ in verband gebracht zou hebben.

 

Er zijn natuurlijk meer plaatsen waar je verfilmde gedichten kunt vinden. Een heel goede is Dicht/vorm, die ik expres noem omdat zowel Nasr als Dicht/vorm het middeleeuwse Egidiuslied verbeeld hebben. Een mooie gelegenheid tot een vergelijkend warenonderzoek!

Het animatiefilmpje op Dicht/vorm schurkt dicht tegen de veertiende-eeuwse thematiek aan. We zien een man (Egidius?) die voor de dood heeft gekozen, maar zich bij elke poging laat weerhouden door zijn gedachten aan de hel. Als hij aan het eind zijn pogingen opgeeft, verongelukt hij. En komt zo, door het ongelukkige toeval, alsnog in de hemel. Het filmpje zet dus sterk in op de versregel ‘Du coors die doot’. Hoe zou dat gegaan zijn in een tijd waarin zelfmoord een doodzonde was? Hoe heeft Egidius geworsteld met het leven? Waar de tekst zich vooral richt op de overpeinzingen van de achtergebleven vriend, voert de film ons naar de andere kant van de relatie. Treurt de vriend misschien vooral zo uit schuldbesef?

In het filmpje van de gebroeders Nasr dwaalt de treurende vriend door een verlaten en deels ontmanteld ziekenhuis. Hij loopt van het mortuarium, via de röntgenafdeling en de operatiekamers naar een kamer waar alleen nog maar drie bureaustoelen staan. De plek waar eens de fatale diagnose is meegedeeld. Ook deze film plaatst het Egidiuslied in een nieuw perspectief. Het gaat hier niet om de vraag hoe Egidius gestorven is, dat is wel duidelijk. Nasr plaatst de middeleeuwse tekst in een universeler verband: dat van het tijdloze onbegrip na de dood van een geliefde. Daarom is hier ook geen spoor van Egidius meer te zien. De film gaat meer over ‘waer bestu bleven’ dan over ‘Du coors die doot’.

De films van Nasr en Dicht/vorm zijn allemaal op het internet te vinden. Het aardige extraatje in de bundel Dichter draagt voor zijn de QR-codes bij elk gedicht, zodat ze ook op de iPad of mobiele telefoon te zien zijn. Over actualisering gesproken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |