Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Jasper Mikkers:

We zijn al lang onderweg. (2013) Amsterdam: Nieuw Amsterdam

Isbn 978 90 468 1470 3, €17,50, 56 blz.

 

 


 

 

 

'Vliegen is dineren met de goden'  |

 

 

Een tijdje geleden las ik de veelgeroemde maar toch wat teleurstellende roman Dit zijn de namen van Tommy Wieringa. Die teleurstelling komt uiteraard helemaal voor mijn rekening. Dat anderen daar anders over denken, mag alleen al blijken uit het moeilijk te ontkennen feit dat Wieringa voor zijn boek de Libris Literatuurprijs 2013 mocht ontvangen. Het juryrapport roemde de roman met name vanwege de manier waarop de schrijver vorm had gegeven aan ‘twee explosieve thema’s: godsdienst en migratie’. Het feit dat die twee motieven niet de diepte in doken, maar wat magertjes aan de oppervlakte naar lucht bleven happen, was mijn voornaamste bezwaar. Het belangrijkste verschil tussen proza en poëzie: de eerste neemt de lezer mee op een avontuurlijke tocht, de tweede toont de weg en wenst hem goede reis. Een roman moet onderduiken en de lezer over de zeebodem voeren. En poëzie moet dat nu juist niet doen.

Met een beetje goede wil kun je in We zijn al lang onderweg, de nieuwe bundel van Jasper Mikkers, dezelfde twee ‘explosieve’ thema’s onderscheiden: godsdienst en migratie. Want er wordt niet alleen heel wat afgereisd in deze gedichten, Mikkers laat ons van tijd tot tijd ook bij de goden op tafel kijken:

 

In een kroeg dicht bij het water komen oude goden

bij elkaar en spelen kaart. ‘Wie heeft gedeeld?’

En na wat traag gepraat: ‘Wie heeft geboden?’

 

[…]

 

Hefaistos geeft met zijn beroete hand een teken dat

de hele kroeg een rondje krijgt. Dan valt hij met zijn kin

vol op de toog, een voortand vliegt de spoelbak in.

 

De kaarters zien de gaten in zijn sokken – ze heeft

hem eindelijk geloosd, lijkt het wel – en knikken hem toe,

bespeler van het vuur en vanger van beminden: ‘Proost.’

 

Menselijk zijn ze wel, de goden in deze gedichten. Misschien wel ál te menselijk, zoals we later nog zullen zien. Het andere thema (‘migratie’) dringt zich namelijk eerst nog in alle hevigheid aan de lezer op. Dat begint met de titel van de bundel We zijn al lang onderweg. Die kan, heel plat, naar het 40-jarig dichterschap van Mikkers verwijzen – de uitgever meldt het in grote kapitalen in een begeleidend schrijven. Maar ook in de gedichten zelf is iedereen onderweg. Paradoxaal genoeg uit die reislust zich toch vooral in een uitzichtloze passiviteit. De bundel voert de lezer van een kroeg in Pireaus naar de poort van Mycene, van Amsterdam naar Ierland, van een kathedraal naar een Tilburgs café. Dat klinkt allemaal heel avontuurlijk, maar zelfs een zweem van kosmopolitisme ontbreekt in deze gedichten. Zoals in het titelgedicht:

 

Golven klotsen tegen de boeg.

Iemand zegt dat de zee niet ver kan zijn.

 

Verwarring begeleidt ons.

We laten water achter

maar komen niet vooruit,

de oevers schuiven met ons op.

 

We varen vrijwel ononderbroken,

gooien doden overboord, wassen onze haren,

kijken naar tekens.

 

Af en toe gaan we aan land,

vragen waar we ons bevinden.

Ook die aan land weten het niet.

[…]

 

Varen, maar niet vooruit komen, dat is het lot van de zonderlinge figuren die deze regels bevolken. Maar moet ik het ‘explosieve thema migratie’ dan bijstellen? Komt er dan niemand een steek verder? Misschien. En zeker, er wordt hier en daar wel volop over reizen gedelibereerd, zoals in ‘De landmeters van de keizer’:

 

Wat ons te wachten staat, weet niemand.

Ja, zadelpijn en stekende insecten, stormen,

overvallen van geïsoleerde stammen, door geen bode

over de verdrijving van hun koning ingelicht,

watervallen, woeste beken, slangen in het hoge gras.

 

De reislust zou een mens voor minder vergaan. Alleen voor wie het bij mijmeren alleen houdt, lijkt er nog een beetje hoop te zijn. In gedachten kunnen we immers net zo veel risico’s nemen als we willen. Een echte held is een held van de verbeelding.

En om die verbeelding gaat het in de gedichten van Mikkers. De verbeelding die een reiziger nodig heeft om de aangewezen weg op eigen houtje af te leggen. Of, om het slot van het al eerder genoemde titelgedicht er eens bij te halen:

 

We maken plannen.

Schrijven verhalen over wat ons overkomt.

 

We zwijgen over ons vermoeden, te gruwelijk voor woorden:

dat we niet van onze plaats bewegen.

Dat de koers die we steeds varen, niet bestaat.

Dat er zelfs geen boot is.

 

Wat is dat in hemelsnaam voor reis, waarbij de reiziger zelfs zijn eigen boot nog moet verzinnen? Dat, durf ik niet eens zo heel boud te stellen, is de reis door de poëzie, door deze gedichten. Want zoals ik het hierboven al formuleerde, de woorden tonen de weg en wensen ons goede reis. De weg is de weg door de poëzie, die de lezer zelf af moet leggen. De koers en de boot mag hij zelf bedenken. Het is een thema dat we ook bij andere dichters veelvuldig tegenkomen, bij Gerrit Kouwenaar bijvoorbeeld. Maar het blijft wel een spannend uitgangspunt.

Nu wordt ook duidelijk waarom de personages in de bundel zo statisch en initiatiefloos zijn. Ze moeten wel. Poëzie is immers geen proza. De beweging in de gedichten moet van de lezer zelf komen, er is geen dynamische verhaallijn. Zelfs de goden doen niet veel meer dan in de kroeg zitten, drinkend en kaartend.

 

Moet een poëzielezer het dan echt allemaal maar alleen uitzoeken? Nee, gelukkig is er dan ‘De slechtvalk’ nog, een cyclus van tien gedichten die de bundel afsluit. Een vogel die binnen de beperkingen die de valkenier hem oplegt, op zeker moment het luchtruim kiest en almaar hoger vliegend, steeds meer ziet en steeds meer begrijpt. Zij krijgt inzicht door afstand te nemen.

 

Vliegen is dineren met de goden. De angst

voor het onzekere en het onbegrensde overwonnen

waait ze met de onbekende stromen mee

en wacht takken af, ver weg in mist gehuld,

waarop haar poten zullen staan, vanavond, over eeuwen.

 

Ik vind het wel een mooie metafoor. De poëzielezer die zijn eigen weg door de gedichten moet durven gaan, om, zoals de valk, zijn angst voor het onbekende en het onbegrensde te overwinnen. Om bij de goden op tafel te kunnen kijken, heeft hij in de eerst plaats lef nodig. Het inzicht komt immers met de afstand die de lezer durft te nemen. (De verleiding is groot om hier op een politieke dooddoener te variëren: ‘Poëzie is niet voor bange mensen.’)

En de goden? Die zitten intussen gewoon in een café in een provinciestad. En heffen met weemoed het glas. Want zij zijn de regie inmiddels definitief kwijt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |