Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Jasper Mikkers: Eeuwigheid als ontbijt.

(2008). Amsterdam: Nieuw Amsterdam.

ISBN 978 90 468 0435 3, € 14,90, 48 blz.

 

 

Verwonderd over de liefde en de taal  |

 

Mensen die veel wijzer en meer belezen (en die twee gaan heus niet altijd samen) zijn dan ik, halen nog wel eens hoorbaar hun neus op voor poëzie en poëzielezers. Ik begrijp dat wel. Zeker in een tijd waarin harten doorgaans nogal los op de tong liggen en emoties vooral snel, meedogenloos en ongenuanceerd de wereld in getetterd moeten worden, kan er van alles tegen de dichtkunst in stelling worden gebracht. Die kritiek komt van twee kanten.

In de eerste plaats van de ‘nieuwe elite’ die zich afkeert van de poëzie, omdat die jammerlijk verworden is tot een banale afvoerput van nauwelijks vormgegeven emoties die in vorm dicht aanschurken tegen volkse kunstvormen als rap en levenslied. Maar ook de ‘oude elite’ koestert haar bedenkingen die ooit zo kernachtig door Menno ter Braak zijn geformuleerd. Poëzie, zo stelde hij, is iets voor pubers. Volwassen schrijvers dienen zich van volwassen genres te bedienen, zoals het essay en de roman. Niet van de dichtkunst.

Ze hebben natuurlijk allebei ongelijk. Hoewel… Misschien kunnen we in de gedichten van Jasper Mikkers toch wel een beetje een illustratie zien van wat Ter Braak bedoelde. In Eeuwigheid als ontbijt viert hij de liefde als een feest van woorden. Want Mikkers’ liefdesgedichten gaan niet alleen over de liefde, maar vooral ook over de taal. En dat doen ze op een openhartige, onbevangen manier:

 

ze tovert en streelt

ik doe wat ze beveelt

ga mee in ritme en geluid

lees mond en ogen in getemperd licht

van vingertekens, aan mijn huid gericht

 

een enkele keer wordt ze een ander

en is dan overal

de lengte van haar lijf is niet meer te bemeten

een tijger springt tevoorschijn

en bijt in nek en borst en benen

 

als ze haar hoofd opricht

met haar en wang strijkt langs mijn hals, zegt ze:

er huist een dier in jou

in míj?

ja, kijk maar, hier

 

Waarom is dit een pubergedicht in de beste zin van het woord? Ik denk dat het komt omdat er niet alleen onbevangenheid uit spreekt, maar vooral ook verwondering. Natuurlijk springen er in het liefdesspel tijgers tevoorschijn, alleen kijken oudere minnaars daar niet meer zo van op. Het gaat met de liefde immers als met zo veel in het leven. Een mens wordt er wat blasé van en kuiert op een gegeven moment alleen nog maar van déjà vu naar déjà vu.

Maar niet in de poëzie van Mikkers. Die beschrijft zowel het grote genot (‘alles is volmaakt / wat mijn voelen raakt’, of, ergens anders: ‘ze laadt me met elektriciteit / met een vermogen dat ik nauwelijks overleef’), als de kleine verrassingen die het spel in petto heeft:

 

van wat ik kus en wieg in dromen

wordt iets afgenomen als ze zegt: het is maar haar

 

van de kleinste wijziging

raak ik ontdaan

 

het groeit weer aan

als ik de schaar onvindbaar maak

 

toch knaagt er een gemis

omdat ze er niet helemaal meer is

 

aan haar mag niemand komen

 

De dubbele betekenis van ‘haar’ in die laatste regel, brengt mij op dat andere facet van Mikkers’ poëzie, dat van de taal. Want natuurlijk gaan de gedichten over kussen, strelen, vrijen, neuken, zelfbevrediging en wat er verder zoal aan herkenbaars over de vleselijke liefde te zeggen valt. Maar toch is het geen jongensdagboek. Het zijn gedichten, het is taalkunst. Soms subtiel tussen de regels weggestopt, zoals dat ‘haar’ hierboven. Maar op andere plekken ook in mooie poëticale verzen.

 

beminnen is zo kort worden

van zinnen, zo van stof

dat taal noch teken overblijft

bloot het bloot is dat niet uit te spreken

 

is worden wat voor woorden ligt

onvangbaar voor besef van tijd verglijdt

 

is weten dat het niet gezegd

niet uitgelegd

ook later niet

en niet proberen

maar lakens rapen

en zwijgend slapen

 

In de vorm van het gedicht weerspiegelt zich het ongrammaticale gestamel van de minnaar die na het genot even geen woorden meer heeft en daarom maar onmachtig de lakens over zich heen trekt en gaat slapen. De slaap als ultiem bewijs van de grootste onuitsprekelijke liefde, waar ieder uitgesproken woord de ander tekort zou doen. Zo had ik het eerlijk gezegd nog niet vaak bekeken.

Het is vervolgens de paradox van de poëzie dat dit woordloze compliment aan de partner mij juist in de taal van een gedicht duidelijk wordt. In gedichten gebeurt immers alles in woorden, ook zwijgen.

 

Ik schreef hierboven dat de lezer/minnaar naarmate de jaren en de ervaringen vorderen natuurlijk wel iets van zijn onbevangenheid en verwondering moet verliezen. Maar dat is voor de verliefde jongeling nog geenszins vanzelfsprekend. Die wil maar al te graag dat ervaringen uit het verleden garanties bieden voor de toekomst. Want, zo meent hij, íets van dat alles zal toch wel blijven bestaan?

 

het enige wat ze toen droeg

een sjaal

heb ik in een plastic zak geknoopt

 

ik heb er nog een zak omheen gedaan

en beide heb ik luchtdicht afgeplakt

zodat ze niet ontsnappen kan

 

als een garantie

een ouderdomsverzekering van de herinnering

 

de geur van onze liefde

 

Ja, als ik Eeuwigheid als ontbijt van Jasper Mikkers nog eens teruglees, dan denk ik dat Menno ter Braak misschien wel gelijk had: poëzie is uiteindelijk toch vooral bedoeld voor pubers. Maar dat wil niet zeggen dat je je er daarom maar van af moet keren. Je kunt ook gewoon weigeren volwassen te worden.