Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

K. Michel: Te voet is het heelal

drie dagen ver (2016)

Amsterdam/Antwerpen:

Augustus, Atlas Contact

Isbn 978 90 254 4775 5, €17,99, 56 blz.

 


 

 

 

Zo gek als een maartse haas  |

 

 

Toen Conrad Busken Huet halverwege de negentiende eeuw de onaantastbaar geachte dichter Jacob Cats aan de schandpaal nagelde (‘Zijn populariteit is een nationale ramp geweest’), maakte hij daarmee ruim baan voor de kwalitatief betere poëzie. Alleen daarvoor al mogen literatuurliefhebbers Huet tot in lengte van eeuwen dankbaar zijn.

En als een dichter definitief afrekent met misstanden in het poëzieonderwijs, verdient hij daarvoor ook eeuwige roem en lof. Dus toen K. Michel in 1999 met zijn gedicht ‘Indringend lezen volgens dr. Drop’ een hele generatie jongeren genoegdoening bood door de geplaagde neerlandicus van zijn voetstuk te stoten door hem eenvoudigweg te citeren, kon hij wat mij betreft niet meer stuk. Zou dan eindelijk de strijd tegen beschamende vragen en opdrachten als ‘Wat bedoelt de dichter met…?’ of ‘Vertel het gedicht in je eigen woorden na’ gewonnen zijn?

Helaas niet, bewijzen de schoolboeken. In plaats van blij te zijn dat de methode in ieder geval iets aan poëzie doet, kan de leraar Nederlands die karige paragrafen beter overslaan en zelf met een gedicht aankomen.

Van K. Michel bijvoorbeeld. Zoals het gedicht over de didactische missers van dr. Drop ruimhartig uit de werkelijkheid citeerde, zo hebben ook verschillende gedichten uit zijn nieuwe bundel Te voet is het heelal drie dagen ver daar hun ontregelende effect daaraan te danken. Kijk bijvoorbeeld eens naar het begin van het openingsgedicht ‘Signaal en ruis’:

 

Walvis landt op vissersboot.

Trainer vindt vliegtuigdeur op voetbalveld.

Student heeft seks met standbeeld.

Dronken man zit vast in brievenbus.

Indiër rijdt al twaalf jaar achteruit in auto.

Zwitser breekt record telefoonboeken scheuren.

 

Paardbei. Menigte tilt dubbeldekker op

bevrijdt fietser. Strandbal van metaal blijkt

zeemijn. Dorp schenkt reuzentruffel

aan Obama. Rara, het is rood en het hinnikt.

Dichter vangt haas door achter boom

geluid van wortel na te bootsen.

 

Voilà, een kleine greep uit wat ik gisteren

aan info in mijn vlindernet vond.

 

Onzinnieuws? Waarschijnlijk. Maar ongetwijfeld niet gekker dan wat er doorgaans op een dag aan ‘informatie’ op sociale media verschijnt. Het bijzondere is dat Michel wel wat met die onzin doet: hij maakt er poëzie van. In 1999 maakte hij poëzie van de onzin van Blok door diens tekst zichtbaar tot een gedicht te transformeren. En nu doet hij in deze strofen hetzelfde met de sociale-mediagekte. Want waar de eerste strofe nog een neutraal aandoende opsomming lijkt, is de tweede een gedicht geworden door de toevoeging van dé poëtische stijlfiguur bij uitstek, het enjambement.

Een goed gedicht, ik schreef het eerder, roept bij de lezer vragen op. Vragen, waar misschien niet eens een sluitend antwoord op te verzinnen valt. Is dit wel poëzie, bijvoorbeeld. Of waarom staat er in de tweede strofe een kinderachtig raadsel, terwijl het antwoord al in de eerste regel gegeven? (Op die tweede vraag is het antwoord trouwens betrekkelijk eenvoudig: in sociale media verschijnen de laatste posts bovenaan. Als je later inlogt, zie je daarom eerst het antwoord en daaronder pas de vraag.)

Om de gekte nog eens te benadrukken volgt iets verderop de regel ‘Dus ving ik een maartse haas’. Dat is een dier dat de meesten ongetwijfeld kennen uit Alice in Wonderland, maar de uitdrukking mad as a march hare stamt al uit de zestiende eeuw. De haas heeft, gedreven door geslachtsdrift, in maart de kolder in de kop, schijnt de achterliggende gedachte te zijn. Het gedicht eindigt met een welgemeend advies van diezelfde maartse haas:

 

klim nu hoog in de boom en fluister

terwijl je bladeren doet ritselen

je hartenwens en laat daarna zaagsel

toverachtig sneeuwen door de takken

rondom je af te zagen ook die waarop je zit.

 

En dit is eindelijk eens geen onzin. Het advies raakt aan de regels die Remco Campert ooit aan de poëzie toekende. ‘ik geloof in een rivier / die stroomt van zee naar de bergen / ik vraag van poëzie niet meer / dan die rivier in kaart te brengen’ (uit ‘Credo’) of ‘Voltaire had pokken, maar / genas zichzelf door o.a. te drinken / 120 liter limonade: dat is poëzie’ (uit ‘Poëzie is een daad’, waar Michel trouwens weer naar verwijst in ‘Vragen & klepels’). Het zijn teksten waarin de poëzie de macht grijpt en het onmogelijke mogelijk maakt.

Ook andere gedichten slepen ons het hazenleger van de subversieve dichtkunst in. Bijvoorbeeld ‘Worry’ dat pronkt met eigenzinnige etymologische kennis. Of ‘De lach van Rutte’, die uiteindelijk van zijn gezicht spat en aan de haal gaat. Waarna het journaille massaal achter de ontsnapte lach aan holt en de premier met ‘zijn gezicht / verfomfaaid zijn mond een slappe cheeseburger’, verbijsterd achter blijft.

Net als de poëzie zelf, heeft de bundel nog meer raadsels te bieden. Heel letterlijk in het vierde gedicht van de cyclus ‘Zelfportret als Matisse in Nice’.

 

het naaktmodel op de sofa

kijk met verbaasde ogen toe

zij weet dat bewegen ongewenst is

zolang het doek nog groeit

maar zachtjes neuriën mag

en praten ‘waarom verft

de olifant zijn nagels rood’

mag ook mits met mate

 

Maar de schildert luistert maar half. Hij ziet door het raam een schip op zee, meeuwen, het water in de karaf en schaduwstrepen over de fruitschaal. Waarschijnlijk half op de automatische piloot vraagt hij tegen het eind van het gedicht:

 

‘olifant? hoezo’

 

‘de olifant lakt zijn teennagels

rood om zich beter

te kunnen verstoppen in de kersenboom’

 

Het lijken teksten van een onbenullige eenvoud, maar toch laten ze bij de lezer een onbestemd gevoel achter. Wat moeten hij hiermee? Misschien volgt het (een?) antwoord uit het vijfde gedicht uit de genoemde cyclus.

 

op de rand van het balkon

is nu een merel neergestreken

uit zijn strot stijgt een

niet aflatende stroom loftuitingen op

poek poek

tsjink tsjink tsie

zingt het roerloos silhouet

anda thu anda thu

terwijl de lucht langzaam

van beneden naar boven donker optrekt

 

Hebben we hier dan eindelijk – na duizend jaar – die vogel te pakken uit dat bekende Oudnederlandse dichtregeltje ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu wat unbidan we nu’? Het zou mooi zijn, maar te vrezen valt dat het toch weer die verdomde sociale media zijn (‘twitter’) zijn, die als een donkere lucht van beneden naar boven optrekken.

 

Alles overwegend is de wereld van de gekke maartse haas zo vreemd nog niet. Want als hij iets duidelijk maakt, dan is het wel dat het altijd gekker kan. In onze eigen wereld bijvoorbeeld. Waar, zo brengt het gedicht ‘In knollenland’ ons pijnlijk in herinnering, visie iets is

 

wat zich tussen indruk en begrip

tussen bomen en bos schuift

visie is in de optiek van het bestuur

een olifant die het uitzicht beneemt

 

Waarmee wederom een letterlijk citaat de beste aanval blijkt op de malle wereld om ons heen. Nu het gedicht met deze woorden afrekent met onze minister-president, verkeert dr. Drop alsnog in goed gezelschap.

 

NB De dichtregels van Campert zijn geciteerd uit: Remco Campert: De gedichten. (2004) Amsterdam, De Bezige Bij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |