Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

K. Michel: Waterstudies (20035).

ISBN 9045700425, € 16.50, 42 blz.

K. Michel: Bij eb is je eiland groter (2010).

ISBN 9789045704203, € 17,90, 56 blz.

Beide bundels zijn verschenen bij uitgeverij Augustus, Amsterdam/Antwerpen.

 

 

Over de dichtkunst en de longen van een dolfijn  |

 

 

Onlangs verscheen bij uitgeverij Augustus voor het eerst sinds jaren weer een bundel van K. Michel: Bij eb is je eiland groter. Zowel door de vormgeving als vanwege de titel moest ik heel erg aan een eerdere bundel van Michel denken: Waterstudies uit 2003. Eigenlijk is die bundel nog ouder, want de eerste druk dateert van 1999 en verscheen bij Meulenhoff. Vier jaar later verscheen de vijfde druk die hier voor me ligt. Dat is trouwens op zich al een indrukwekkend gegeven. Van veel Nederlandse poëziebundels eindigt het grootste deel van de eerste druk al na verloop van tijd op de schappen van De Slegte. Zo niet van Waterstudies. Die begint zo langzamerhand tot de evergreens van de moderne Nederlandse dichtkunst te behoren. Terecht? Ik vind van wel. Al is het alleen maar vanwege de vijf gedichten die het lezen van poëzie op school tot onderwerp hebben, samengebracht onder de verwachtingsvolle titel ‘Indringend lezen volgens dr. Drop’.

 

In 1970 verscheen Indringend lezen I, een schoolboek over poëzie van dr. W. Drop en drs. J.W. Steenbeek. Dat was in de tijd dat academische titels nog indruk maakten op schoolmeesters. Al meteen openden Drop en Steenbeek frontaal de aanval op de middelbare scholier door het gedicht ‘hand o.a.’ van Gerrit Kouwenaar aan de orde te stellen. De goede smaak van beide schoolboekenschrijvers wil ik hier niet bestrijden (‘hand o.a.’ is nog steeds een van de mooiste gedichten die ik ken), wel hun vermogen om zich in te leven in de poëtische ontvankelijkheid van de gemiddelde zestienjarige – hoewel ze in hun bespreking toch ook wel uiting gaven aan een (begin van) vaderlijke empathie. In vier zinnen die K. Michel bijna twintig jaar later even letterlijk als genadeloos presenteerde in waterstudies:

 

Indringend lezen volgens dr. Drop (II)

 

Na een keertje

doorlezen zullen we

het allemaal wel

een moeilijk gedicht

vinden, dit hand o.a.

Toch kunnen we met

geduldig lezen een

heel eind komen. Wel

moeten we bij voorbaat

aanvaarden, dat je in

dit soort gedichten vaak met

een paar ‘blinde vlekken’

blijft zitten.

Dat zijn plaatsen waar de associaties

van de dichter kennelijk

zo persoonlijk zijn geweest

dat het min of meer toeval is

of je ze kunt navoelen.

 

Je kunt je bij zo’n gedicht een hoop dingen afvragen. Mijn grootste vraag is hoe het toch komt dat de tekst van Michel zo veel beter, mooier, krachtiger is dan die van Drop (die letterlijk hetzelfde is, maar dan in doorlopend proza). Natuurlijk maakt het gedicht gebruik van een oude retorische truc. Het stelt een uitspraak ter discussie, door hem eenvoudigweg te herhalen. Zoiets werkt. Maar de belangrijkste meerwaarde zit hem denk ik toch in het simpele feit dát het een gedicht is. En zelfs een behoorlijk goed gedicht. Het stelt vragen die de tekst van Drop nooit heeft kunnen stellen. Vragen die je misschien wel kunt samenvatten met een kernachtig ‘wat moet ik hier mee?’ Het gedicht presenteert de schoolboekjestekst van Drop op een manier die ons met onze neus op de malheid ervan drukt. Zeker in de context van de vier andere gedichten uit deze cyclus, waarvan het laatste uit één meedogenloze regel bestaat:

 

Vertel nu het gedicht in je eigen woorden na.

 

Waarom zou een lezer, alle didactische theorietjes ten spijt, een gedicht in zijn eigen woorden na moeten (of zelfs kúnnen) vertellen? Wat een onzin. Het gaat juist om de woorden van het gedicht! Er staat wat er staat. En niets anders. Ik zou zelf niet weten hoe ik Kouwenaars ‘hand o.a.’ in mijn eigen woorden moest navertellen. Het geciteerde gedicht van K. Michel illustreert deze onmogelijkheid nog eens heel helder. Want dat ontleent zijn kracht nu juist aan die letterlijke woorden van Drop. Elk ‘eigen woord’ doet daar afbreuk aan. Eigenlijk is dat navertellen net zo’n onmogelijke opdracht als de vraag ‘wat bedoelt de dichter met regel 4?’ Een vraag waar Michel al even fraai mee afrekent in het gedicht ‘Wortel en staart’:

 

Want ze spelen vals die watvragen

ze veronderstellen stiekem dat het dat

van het wat waarnaar zij vragen

ook daadwerkelijk bestaat

 

Drie strofen daarvóór liet het datzelfde gedicht al doorschemeren hoe het dan wel benaderd wilde worden. ‘Hardhandig genezen door de professor / kan ik dit soort vragen naar het wezen / die zij typeerde als ‘allemaal wattologie’ / niet horen zonder zachtjes ‘hoe’ te kreunen’.

Hoe? Inderdaad. Gedichten hebben de lezer iets te zeggen. Wát ze te zeggen hebben is een te vrijblijvende vraag. Dat is voor iedere lezer weer anders. Maar hóe ze dat doen, komt in de buurt van een belangrijker aspect van poëzie lezen. Helaas blijven poëzielessen vaak te veel vastzitten in uitzichtloze ‘wattologie’.

 

De poëzie van K. Michel kenmerkt zich door grote en soms heel kleine observaties, die vervolgens een extra dimensie krijgen doordat ze in een gedicht terechtkomen. In Waterstudies gaat het over schilderkunst, golfstromen, het uitsterven van kikkers of over het reisverslag van Gerrit de Veer, de scheepstimmerman van Jacob van Heemskerk en Willem Barentz tijdens hun beroemde overwintering op Nova Zembla. In de nieuwe bundel Bij eb is je eiland kleiner vinden we die observaties ook terug. Kijk bijvoorbeeld eens naar ‘Toespraak tot het plafond’, waarin eerst de (verzonnen!) ontwikkeling van de dolfijn ‘in luttele millennia’ van land- naar zeedier ter sprake komt. Waarna de volgende observatie volgt:

 

[…]

wat de dolfijn aan het bestaan

op het droge overhield waren de longen

evolutionair gezien is dat raar want

wat moet je daarmee onder water

vermoedelijk gaat het om een functie

die nuttig is zij het indirect – denk

bijv. aan lichaamshaar, blindedarm

staartbeentjes of in breder verband

het blijven voortbestaan van dichters –

misschien is het evolutionaire voordeel wel

dat het de dolfijn in staat stelt van tijd

tot tijd aan de oppervlakte te komen

boven het water uit te springen

en een blik te werpen op de blauwe

of sterren- of wolkenlucht

en de kust

 

Die ene regel, ‘het blijven en voortbestaan van dichters’, lijkt een wat vreemde eend in de bijt (om in watermetaforen te blijven). Maar hij raakt in al zijn achteloosheid wel aan de kern van de poëzie, die deel uitmaakt van dat grote agglomeraat van nutteloze natuurverschijnselen, die desondanks het leven een stuk aangenamer maken en de wereld in een breder perspectief plaatsen. Net als de longen van een dolfijn.