Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Guus Luijters: Sterrenlied. (2011).

Amsterdam: Nieuw Amsterdam.

Isbn 978 90 468 0969 3, €16.50, 95 blz.

 

 

 

 

Hagar Peeters: Wasdom. (2011).

Amsterdam: De bezige bij.

Isbn 978 90 234 6262 0, €18,90, 170 blz.

 

 

Biografieën in poëzie: Sientje Abram en de oma van Hagar Peeters  |

 

 

Een probleem voor biografen is de vaak enorme brij aan materiaal waar ze zich doorheen moeten worstelen. Waarna ze vervolgens uit al die gegevens ook nog eens een relevante keuze moeten maken. Dat laatste is overigens een kunst die de moderne biograaf steeds minder lijkt te beheersen. Wat biografieën oplevert als woekerende taalgezwellen die volgepropt zijn met volslagen irrelevante details waar geen enkele gezonde lezer belangstelling voor heeft. Had hij dat wel, dan keek hij wel naar RTL-boulevard in plaats van een boek te gaan zitten lezen.

Maar het tegenovergestelde is natuurlijk eveneens tamelijk lastig: zonder brieven, paperassen en andere bronnen kom je als biograaf ook niet ver. Guus Luijters, die blijkens de flaptekst al jaren werkt aan boek over alle uit Nederland geporteerde en vermoorde Joodse kinderen, is tijdens zijn onderzoek op Sientje Abram gestuit. Veel is er niet over haar bekend. Een geboortedatum (Amsterdam, 23 februari 1931), een sterfdatum (Auschwitz, 10 september 1942) en een paar pijnlijke documenten die met het transport van Sientje en haar familie te maken hebben. En omdat letterlijk iedereen die Sientje gekend kan hebben ook vermoord is, heeft Luijters de taak op zich genomen om Sientje haar identiteit terug te geven. Hij doet dat in een gedicht waarin een verteller en Sientje beurtelings het woord voeren.

 

We hebben allemaal een

grote ster op onze jas

gekregen de hele straat

ziet geel op de kleintjes na

 

ze huilen en ze zeuren

ze willen ook zo’n ster maar

zij zijn nog niet aan de beurt

 

En dat is nog maar het begin, zoals we inmiddels weten. Luijters weet de observaties van de elfjarige Sientje ontwapenend en daardoor misschien ook wel meedogenloos te verwoorden. Zoals verderop, naar wat bijna letterlijk het einde is:

 

Wij zijn vertrokken en komen

niet terug mijn vader mijn moeder

mijn broers en duizend anderen

in een trein geladen zijn wij

 

afgevoerd ik heb niet gezwaaid

ik heb niet omgekeken

ik ben gegaan en kom niet terug

 

Waarna in het laatste deel van de bundel alleen nog de verteller spreekt. Zeven korte regels:

 

Reiziger doet Birkenau

waar hij in de wind die over

de bevroren vlakte jaagt

de namen van de doden hoort

 

de namen van de kinderen

uit de Rapenburgerstraat die

net als Sientje zijn vermoord

 

En dan volgen in een machtige apotheose van 54 strofen de namen van alle 331 kinderen, die net als Sientje uit de Amsterdamse Rapenburgerstraat kwamen en door de nazi’s zijn vermoord. Indrukwekkend.

 

De nieuwe bundel Wasdom van Hagar Peeters heeft ook iets biografisch. Het is niet zozeer een biografie in gedichten, als wel een biografie van Peeters’ poëzie. Er staan gedichten in uit verschillende perioden van haar leven. Dat biografisch gehalte wordt nog eens benadrukt door een foto van de zevenjarige Hagar met haar opa op de voorkant en een van een schrijvende (dichtende?) Hagar achterop de bundel. Daar wordt trouwens ook dat idiote compliment (‘Ze heeft de poëzie sexy gemaakt’) van Ingmar Heytze weer eens van stal gehaald. Het aardige van poëzie is het spel tussen tekst en lezer. Als iets de poëzie sexy maakt, dan is het de lezer – of desnoods de tekst. Peeters’ gedichten hebben zo’n malle kwalificatie ook helemaal niet nodig. Zij schrijft over het algemeen erg goede gedichten, die mij in ieder geval zeer aanspreken. Koffers zeelucht, haar bundel uit 2003, behoort al acht jaar tot mijn favorieten. En ook Wasdom zit vol juweeltjes. De bundel begint aardig genoeg met enkele gedichten over ‘mijn grootmoeder’. Over biografieën gesproken. De eerste regels van het eerste gedicht luiden:

 

In het dorp van mijn grootmoeder

kwamen vrouwen jaarlijks tot volle wasdom

schoten loot gaven vrucht

het was er een bloeien dat de klok sloeg

bloederig van de doden, miskramen,

mismaakten en de gewone levensvatbaren.

 

er heerste in het dorp

een frontmentaliteit;

de vrouwen waren soldaten

tegen de getalsmatige overmacht

[…]

 

De met zwangerschap geharnasten

gehoorzaamden lijdzaam

 

Dat deze gehoorzaamheid hen later slechts windeieren blijkt te leggen, mag dan geen verrassing zijn. Zodra zij uitgebaard zijn worden zij geacht het strijdperk te verlaten ‘en stond niet de keizer schaakmat / maar de moeder die geen hemel had’.

Het gedicht ‘De grootmoeder en de prins’ brengt deze tegenstelling nogmaals ter sprake met een knipoog naar een recent sterfgeval binnen ons koningshuis:

 

De dag voor haar begrafenis

kwam op televisie het praalgraf

van een prins onverlaat

met een rouwstoet, in alles symmetrisch:

 

gevechtsvliegtuigen vlogen over in eendrachtige salto’s

met een volmaakt rechte uitsparing boven de kist.

De begrafenis was een uitzinnige parade.

 

Hier ligt ze opgebaard

met niets dan zichzelf om het lijf.

 

Wat vooral opvalt is de grote diversiteit van de gedichten, zowel in thematiek als in vorm. Terwijl ze daarnaast toch allemaal diezelfde herkenbare Hagar-Peeterstoon hebben. Omdat wij met het laatste voorbeeld toch al in de funeraire hoek terecht zijn gekomen, een voorbeeld dat dit demonstreert:

 

Hij huilt bij de begrafenis

niet om wie gestorven is

maar omdat het nu kennelijk mag.

 

Beulen kruipen uit het graf

verraders dragen de kist

bedriegers werpen zand

 

een leugenaar leest de mis

op de valse cadans van het koor

dat de moord beging.

 

In de kring van rouwenden

ontwaart hij een zonderling

die gebaart dat hij zich vergist:

kijk maar, er ligt niet wie er ligt.

 

Waarmee de lezer trouwens ineens midden in ‘Awater’ (kijk maar, er staat niet wat er staat) van Martinus Nijhoff zit. Maar ach, er zijn slechtere plekken waar je na het lezen van poëzie terecht kunt komen. De gedichten van Peeters zitten sowieso boordevol suggestie en onverwachte, soms zelfs hinderlijke wendingen, zoals in ‘Ongeluk’:

 

Er was vervallen. Er was verslagen.

Er waren woorden van de levenden later.

Er was onbegrip. Er was weemoed.

Er was een lege auto langs de weg.

Er was een coupé gevallen in de vallei.

Er waren ramptoeristen, verslaggevers,

cameramensen. Er waren artikelen in de krant.

Er waren foto’s van de fotografen. Er was zand.

Er was geen afscheid, daar was geen tijd voor.

En er was spijt, al wist niemand om wat.

Zo moet ik verleden week zijn overleden.

Ik ben door iets onnoembaars overreden

toen ik onoplettend overstak van mij naar jou.

 

In de eerste tien regels brengt het gedicht beelden, waar iedere lezer zijn eigen journaal bij maakt. En pas als er in regel 11 een ‘ik’ op de proppen komt, worden al die journaals weer één, waardoor de lezer een beetje bestolen achterblijft. Dat vind ik hinderlijk. Maar het is natuurlijk wel een van de belangrijkste taken van de poëzie, hinderlijk zijn. In het geval van Hagar Peeters zelfs hinderlijk goed.