Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Joep Kuiper: Varen vandaan (2014)

Amsterdam: Uitgeverij Karaat

Isbn 978 90 797 7000 7, €16,95, 102 blz.

 


 

 

 

Een plotselinge olifant op de Veluwe  |

 

 

 

Toen Joep Kuiper tien jaar geleden debuteerde met Monarchieën waren de reacties op zijn minst divers. De recensent van Trouw hield bijvoorbeeld erg de boot af, terwijl De Groene Amsterdammer een stuk positiever reageerde. Het geeft aan hoe zeer smaken kunnen verschillen, te meer omdat veel analyses inhoudelijk juist erg veel overeenkomsten vertoonden. Besprekers noemden de gedichten gewaagd, vernieuwend, verfrissend en constateerden een voorkeur voor stijlfiguren als herhaling, tegenstelling en paradox. Ook konden de meesten de dichter een zekere voorliefde voor het absurde niet ontzeggen. Ergens viel het woord ‘ready mades’.

En nu, een decennium later,  ligt de tweede bundel er. Eentje die meteen op bladzijde 6 al veelbelovend is. Ongetwijfeld is de tekst die hier staat als niets anders bedoeld dan wat het is: de inhoudsopgave. Maar wie er oog voor heeft, ziet hier al meteen het eerst gedicht, een ready made met een mooie poëticale draai erin bovendien. We zien een spiegel, met achtereenvolgens de afdelingen (een soort hoofdstukjes): 0, 1, 2, 3, 2, 1, 0. Dat is op zijn zachtst gezegd een opvallende nummering. Bovendien hebben de afdelingen 0, 1 en 2 ook nog eens ieder drie gedichten, zodat het spiegelbeeld volmaakt is. Alleen afdeling 3 heeft er meer, 33 in totaal. Er is een echte vakidioot voor nodig om dan te gaan zitten tellen welk gedicht in deze spiegel precies in het midden staat. Laat mij nu voor de aardigheid die vakidioot eens zijn. En constateren dat het middelste gedicht (niet) toevallig ‘Breuk’ heet. Eromheen staan verschillende spiegelende gedichten. ‘Magnetronmazzel’ staat bijvoorbeeld tegenover ‘Vleesvrees’, ‘Dapper is de dief’ tegenover ‘Dief van mijn digestief’, ‘Zet mij af bij de mijlpaal’ tegenover ‘Beginhalte’ en ‘Âmeland’ (mét accent circonflexe!) tegenover ‘Varen vandaan’, het titelgedicht.

Een compleet spel van vorm en inhoud – en dan hebben we het alleen nog maar over de inhoudsopgave, niet over de gedichten.

Met zoveel aandacht voor vorm, evenwicht en spiegeling bestaat het gevaar dat dit een bundel vol rederijkerij is: ingenieus gestructureerd, maar makkelijk en zonder veel diepgang. Maar dat is gelukkig niet zo. Kijken we bijvoorbeeld naar het openingsgedicht ‘De plotselinge olifant’, dat aldus begint:

 

dames en herten

de nacht is nooit de nacht

de nacht is nooit de nacht die je verwacht

 

nooit zag ik een olifant op de Veluwe

tot vannacht een olifant op de Veluwe verscheen

vannacht op de Veluwe een olifant in mijn koplampen verscheen

 

we raakten elkaar

heel even en heel hard

zwaar en machtig dat hij viel

 

dat de boom waartegen hij vloog als een windstoot

brak windstoot van ontwortels de boom bevrijdde uit het bos

stijgend

 

als applaus vanuit het bos maar de

verongelukte olifant de

stille olifant

 

onverwacht dat hij overstak

onverwacht dat ik hem niet zag aankomen hoe is het mogelijk

plotseling

[…]

 

Als eerste springen de herhalingen in het oog, de ongelijke regellengten en de neologismen (‘ontwortels’). Maar dat zijn opnieuw allemaal vormkwesties. Kuiper plaatst zich hiermee in een rijke traditie, waar uiteenlopende namen als De Schoolmeester, Herman Gorter en Paul van Ostaijen in passen. Maar ook de klankrijkdom van Lucebert en de bedachtzame formuleringen van Remco Campert zie ik terug. Wie in zo veel winkels koopt, moet wel met een bijzondere combinatie thuiskomen.
En dat doet Kuiper. Hij creëert een eigen geluid dat nog wordt versterkt door de krachtige beelden. ‘Een windstoot van ontwortels’ en ‘de boom […] uit het bos stijgend als applaus’, zetten de verbeelding van de lezer in zijn meest alerte stand. Hier gebeurt iets met de taal, hier moet de lezer alle zeilen bijzetten. Zeker als hij aan het slot van het gedicht ook nog leest:

 

daarom dames en herten

wat ze ook zeggen er is geen olifant op de Veluwe

er is een olifant op de Veluwe

 

Maar alleen, voeg ik daar interpreterend aan toe, alleen volgens de grenzeloze wetten van de poëzie.

Dat de olifant aan het eind van de bundel weer terugkomt, mag geen verrassing zijn voor wie de spiegelende inhoudsopgave voor ogen houdt. Het slotgedicht (‘Dialoog’) begint met de doodnuchtere vaststelling: ‘wat dood is, is daar nooit beter door geworden / zei de olifant tegen de barnsteen’.

 

Die spiegeling laat Varen vandaan op meer plekken zien. Zoals in het gedicht met de intrigerende titel ‘Twee astronauten nemen afscheid (van elkaar)’. De titel deed mij meteen zoeken naar het eerste album van Spinvis en inderdaad: daar stonden ze naast elkaar, ‘Astronaut’ en ‘Ronnie gaat naar huis’. Geen idee of Kuiper aan dit plaatje moest denken, maar als ik dan verderop de regel lees: ‘is er iets dat sterven kan op Pluto?’, dan komt een andere regel (‘Is er leven op Pluto?’ uit ‘België’ van Het Goede Doel) ineens ook wel erg dichtbij. Intertekstualiteit als feest van herkenning!

Maar het gaat mij in dit gedicht eigenlijk om iets anders:

 

liefste

kom kajonkel

kom kajonkel uit je ei laat het verdriet van de thuiskomers

 

niet langer wachten

 

Dat de astronaut uit zijn capsule (‘je ei’) moet komen en de thuisblijvers niet moet laten wachten, wil ik wel geloven. Maar waarom staat hier ineens ‘kajonkel’?  Ik kende het woord niet en Van Dale geeft ook niet thuis. Het Vlaams woordenboek kent ‘kajonkelen’ uit het Kempisch en Antwerps in de betekenis ‘uitschreeuwen van de pijn’. En ineens komt de pijn van die astronaut tot leven: hij wil helemaal niet weg van de ander, zijn liefste. Hij komt krijsend van de pijn op aarde – en is daarmee behalve astronaut ook nog boreling geworden. Een spannend beeld (en dan vergeven we de dichter een woordspeling als ‘venuseuvel’ graag).

Het spiegelende gedicht achterin heet ‘Piano’. ‘De langste jaren van mijn leven // […] waren de jaren dat ik een pianoding was’ lezen we daar. En nu is de ‘ik’ dat klaarblijkelijk niet meer. Hoe dat gegaan lezen we aan het eind van ‘Piano’:

 

‘kom kajonkel uit je hout

het is het hout dat ik wil en niet het ding

het is de muziek die ik wil en niet het hout

 

het is de helft van de piano die ik handig bespeel

alleen als jij de andere helft bespelen wil’

 

de meedogenloze menselijkheid

 

En weer kajonkelt er iets de wereld in. Of het nu het hout van de piano is of de muziek van de piano, eenmaal bevrijd rest er niet veel meer dan mens te zijn. En dat is kennelijk van een nogal meedogenloze treurigheid.

De spiegelende gedichten worden hier eerst krachtig aan elkaar gekoppeld door het ongebruikelijke streekwoord ‘kajonkel’. Maar vervolgens hebben ze veel en veel meer gemeen. Ze gaan over verlost worden, terwijl je dat niet wil. Onder de mensen komen, wat alleen maar tot pijn leidt. Twee gedichten die ieder op hun eigen manier elkaars spiegelbeeld zijn.

Het is een van de vele verrassingen die deze gedichten voor de lezer in petto hebben. Want voor wie er oog voor heeft, zit Varen vandaan vol plotselinge olifanten op de Veluwe.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |