Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Anton Korteweg: Ouderen zijn het gelukkigst.

(2009). Amsterdam: J.M. Meulenhoff.

ISBN 978 90 290 8567 0, € 17,95, 64 blz.

 

 

Najaarsgedichten voor alle leeftijden  |

 

Het is een wijdverbreid en hardnekkig misverstand dat literatuur moet aansluiten bij de belevingswereld van het kind. Niets is minder waar. Geschiedenis, maatschappijleer, aardrijkskunde, wiskunde desnoods, die mogen allemaal bij de belevingswereld van de leerling vertrekken. Maar de literatuur niet. Die moet juist horizonten overschrijden, nieuwe werelden betreden en vreemde perspectieven openen. Aan de aantrekkingskracht van het onbekende dankt de bellettrie nou juist zijn magische werking.

Godfried Bomans heeft ooit een alleraardigst stuk geschreven over sinterklaasliedjes. En daarin roerde hij die ene mooie maar mysterieuze zin aan: ‘Makkers staakt uw wild geraas’.  Geen zin wordt volgens Bomans met zo veel overtuigingskracht door kleine kinderen gezongen dan juist deze. En dat zou voor een belangrijk deel komen doordat hij maar liefst drie woorden bevat (‘makkers’, ‘staakt’ en ‘geraas’) die geen enkel kind begrijpt.

Ik denk dat Bomans gelijk heeft. Waarom zou een voetballertje een verhaal willen lezen over een ander voetballertje, terwijl zelf voetballen zoveel leuker is? Als literatuur wil boeien, dan zal zij toch in de eerste plaats iets nieuws en onbekends moeten bieden.

Zoals de jongste bundel van Anton Korteweg. De titel, Ouderen zijn het gelukkigst, mag een jeugdig publiek misschien niet direct tot lezen noden, de gedichten zelf doen dat wel:

 

Naar Schouwen

 

Boven een fietsende knie

liftte vanaf Kortgene

een lieveheersbeestje mee.

 

Langs vlas, noten, stokrozen,

huisjes Plexat, Krekwakwou,

bedwong het de Oosterschelde

op een behaard bovenbeen.

 

Maar voor Zierikzee was bereikt,

was het weg. Foetsie. Verdwenen.

 

Twee dingen doen ertoe

in Zeeland en daar buiten:

aangewaaid worden en weg.

 

Dat is het openingsgedicht. Over wegen die afgelegd moeten worden en, zoals wel vaker, eindigend met een gedachtestreepje. Twee conventioneel geworden symbolen voor de weg die de lezer mag gaan afleggen. De infrastructuur (de weg, de woorden) ligt er, de reis kan beginnen. Zo’n gedicht is tegenwoordig een haast rechtstreekse oproep aan de lezer om van de inhoud van de bundel toch vooral zijn eigen inhoud te maken. Geen vrijbrief, maar een uitnodiging. Goed, iemand moet je daar even op wijzen. Maar zo gaat dat altijd met conventies.

 

De bundel bestaat uit drie delen: ‘Onmachtige sukkels als wij’, ‘We waren behoorlijk wanhopig’ en ‘Het seizoen is bijna gesloten’. Geen titels waar alleen Kortewegs generatie, de 65-plussers, zich in kan herkennen. Ze zijn van alle leeftijden. Zo bezien is de man in Goes uit het gelijknamige gedicht ineens heel leeftijdloos.

 

Man in Goes

 

Een man die op een avond in het vroege voorjaar

in een stadje als Goes, zittend op een terras,

met een hoopvolle blik om zich heen kijkt,

 

stelt vast dat wie daar op de Grote Markt

op het terras van restaurant De Landbouw

met zijn lief in de aarzelende zon zit,

 

zich net als hij behelpen moet maar toch blijmoedig

een tweede Witte Hoegaarden bestelt

terwijl een schutterig musje even bijschuift.

 

Zo’n man vervolgt daarna getroost zijn weg,

bereikt neuriënd het station,

kust thuis weer eens zijn vrouw.

 

Als je besluit dat dit een verhaaltje in dichtvorm is, dan staat er gewoon wat er staat. Maar als je toegeeft aan de aandrang om het als lyriek te lezen, dan staat er (gelukkig!) ineens een hoop meer. Dan gaat het op zijn minst over duizend mensenkinderen voor wie het gras bij de buren altijd groener is. Waarna de man op het terras ook één van die duizenden blijkt te zijn. Zodat oud en jong troost kunnen putten uit het lot van al die andere mensen, die zich ook maar moeten behelpen in het leven.

Ik heb hier al eens eerder gedichten besproken, van Judith Herzberg bijvoorbeeld, die op een toegankelijke manier de grote wereldproblemen van oorlog en vrede, rijkdom en armoede als thema voeren. Daar is Anton Korteweg de dichter niet naar. In Ouderen zijn het gelukkigst toont hij zich eerder een dichter van het ‘klein geluk’. En daarmee een waardig lid van de school van M. Vasalis. Het is evenwel aardig om te zien hoe de ‘grote’ actualiteit zich soms toch ineens opdringt in zijn gedichten – en wat Korteweg daar vervolgens mee doet. Zoals in ’11 augustus 2006’:

 

‘Die exotische cultuur

achter je muur

is je buur’,

 

rijmt mijn treinkaartje Veurne-Oostende

van elf acht tweeduizendzes.

 

Het bedoelt hiermee niet dat ik me

snel uit de voeten moet maken,

maar wil dat ik gauw een bezoek

bij zo’n schepsel Gods in mijn buurt breng

om een beetje van hem te gaan houden.

 

O Belgische Spoorwegen,

U bent beslist een goed mens

en rijdt ook beter op tijd

dan uw Nederlandse collega.

 

Het woord ‘deugen’ komt in heel het gedicht niet voor. Maar het deint intussen wel in al zijn betekenissen met de woorden mee. Want wanneer deugt een spoorwegmaatschappij? Als de treinen op tijd vertrekken, toch? Maar ze deugt natuurlijk nog veel meer als ze ‘een goed mens’ is op een heel ander gebied. Een gebied waarop wij de spoorwegen niet gewend zijn te beoordelen. Vraagje: krijgen de NS van dit gedicht nou van twee kanten een veeg uit de pan?

Ook op een andere manier is het trouwens een mooi voorbeeld van een gedicht van het ‘klein geluk’. Het komt niet van iets kleins tot iets groots (van de belevingswereld naar een breder perspectief), maar bewandelt de omgekeerde weg. Het probleem van integratie en multiculturaliteit wordt verkleind naar een treinkaartje van een ook anderszins keurig instituut: een spoorwegmaatschappij die op tijd rijdt.

Tenslotte nog een gedicht, waarin de leeftijd echt een rol speelt:

 

Pas werd ik vijfenzestig.

 

Er kwam iemand langs

die vond, als je ouder wordt,

word je er mooier op.

 

Omdat ik van me wil houden,

heb ik eens goed gekeken.

En ja, ik mag er zijn nog.

 

Maar mooier, nog mooier

dan veertig jaar terug?

 

Dat blijft me gelukkig bespaard.

 

Ik weet niet of dit gedicht jonge lezers uitzonderlijk veel troost zal bieden. Maar het zou toch wel aardig zijn: mooie jonge mensen die in alle rust een hoop werk maken van hun uiterlijk. Die uren voor de spiegel en de kledingkast staan. Die achter elkaars rug wijzen op alle tekortkomingen in uiterlijke schoonheid. En die dat doen in de geruststellende wetenschap dat dat straks allemaal niet meer hoeft. 1-0 voor de poëzie.