Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Willem Hussem: Met inkt zeggen. (2009).

Bergen op Zoom: Kleinood & Grootzeer.

Isbn 978 90 76644 43 1, €16,50, 72 blz.

 

 

Hans Tentije: Als het ware. (2010).

Amsterdam: De Harmonie.

Isbn 978 90 6169 940 8, €15,90, 70 blz.

 

 

Beelden, woorden, en de zee  |

 

 

In een vreemde stad ben je al gauw aangewezen op een boekhandel van een van de grote ketens. Terwijl je wéét dat er meer moet zijn. Van die leuke, kleine winkeltjes met bevlogen eigenaars. Maar ja, je hebt natuurlijk geen flauw idee in welk achterafstraatje je ze moet zoeken. Je komt ze alleen maar per ongeluk tegen als je min of meer verdwaald bent. Als een soort van beloning, omdat je van de gebaande paden bent afgeweken. Zoals De Tribune in Maastricht. Twee huiskamers tot de nok gevuld met boeken. En een paar forse kasten met poëzie die de bekende boekenwarenhuizen het nakijken geven. En als je in zo’n kast dan ook nog eens een juweeltje aantreft van een tot dan onbekende uitgever, ja, dan kan de dag niet meer stuk. Ik heb er het prachtig vormgegeven bundeltje Met inkt zeggen van schilder/dichter Willem Hussem (1900-1974) gekocht. De bundel, een bloemlezing van honderd korte gedichten, is samengesteld door de zoon van de dichter. Ik kende Hussem eigenlijk alleen van het bekende gedicht dat je hier en daar nog wel eens op gevels tegenkomt:

 

zet het blauw

van de zee

tegen het

blauw van de

hemel veeg

er het wit

van een zeil

in en de

wind steekt op

 

Ook in de gedichten uit Met inkt zeggen spreekt eerst en vooral een beeldend kunstenaar die met woorden schildert. Zoals in:

 

de geur van terpentijn en doek

zet aan tot avontuur

de geest grijpt in

de bloedvaten verwijden zich

gemorste verf verbloemt de strijd

het schilderij begint zijn leven

 

Dat zijn woorden die poëzielezers natuurlijk al vaker gehoord hebben, maar dan over een gedicht. Schilderkunst en dichtkunst liggen sowieso dicht bij elkaar in het werk van Hussem. Niet alleen is deze postume bundel ‘verlucht met penseeltekeningen van zijn hand’, zoals de titelpagina aankondigt, maar ook in de gedichten zelf zie je een schilder aan het werk. Eén van de grote thema’s van Hussem is de zee. ‘wat ik aan zee beleef / vindt zijn horizon / niet aan de einder’ verklaart de dichter zelf in een van de kortere verzen. Niet voor niets vallen overal in de bundel schilderachtige beelden, poëtische taal en de kracht van de zee moeiteloos samen.

 

de ochtendnevel sluimert

in stilte staat de wind op

de kim ontwaakt

de zon baadt

in zee

 

Het kost mij niet al te veel moeite om er het schilderij meteen maar bij te bedenken. Of, weer in de bedrieglijk eenvoudige woorden van Hussem: ‘de zee / spiegel van weer en wind / leert mij kijken / leert mij zien’.

Maar omdat het woorden zijn, ontstaan de bijbehorende beelden niet op doek, maar ik het hoofd van de lezer. Zodat alles er is, zolang je maar bereid bent te dénken dat het er is. Hussem illustreert dat mooi in:

 

met mijn hand in jouw hand

met je hoofd op mijn schouder

sliep ik in

bij het wakker worden

ben je er niet meer

toch houdt je hand

de mijne nog vast

geen vinger durf ik te bewegen

 

Ook Hans Tentije omarmt in zijn recente bundel Als het ware de zee als thema. Maar waar Hussems gedichten kleine pareltjes in de woestijn zijn (zoals een kleine boekhandel met veel poëzie in een vreemde stad dat is), zijn de gedichten van Tentije grootse monumenten. Dertig regels of meer is geen uitzondering. Maar het aardige van een monument is dat je er ook naar binnen kunt. Zo bestaat de cyclus ‘De nabijheid van de zee’ uit veertien gedichten die de zee van alle kanten benaderen, als een omsingeling bijna. Dan weer eens via de familiegeschiedenis (‘voor het eerst’) en even later vanuit een meer panoramisch perspectief (‘van over de eilanden’) of door een filosofischer beschouwing (‘mondingen, zeeën’). Het resultaat is niet, zoals bij Willem Hussem, een schilderij, maar eerder een allesomvattend idee van wat de zee allemaal is. Voor minder doet Tentije het niet. In ‘voor het eerst’ komt een kleine jongen na de oorlog met zijn moeder bij de zee die nog de herinnering aan mijnen en prikkeldraad met zich meedraagt. Moeder loopt de zee in om van de oedeemplekken (opgelopen in de hongerwinter) af te komen. Want, zo eindigt het gedicht: ‘de zee geneest, maar niet van het leven’. Een heel andere zee zien we in ‘De branding, bevroren’:

 

Hoe op een nacht de branding hier bevroor

en een halsstarrige, onderhuidse vloed toen geweldige schotsen

over de zandbanken kruide en zo de zee

achter Arctisch pakijs liet verdwijnen, in een daglicht

dat haast niet te verdragen was –

 

Mijn eigen favoriet onder de zeegedichten is evenwel ‘Vuurtorenlicht’, waarin ‘in de cirkelgang van de stralenbundels allerlei dromen / geprojecteerd worden, hun vuurdoop beleven / op een deinende zee’. Veel lyrischer kan een zee niet worden. Terwijl het van de andere kant toch ook zeker geen mal beeld is. Want dat we, starend over de zee, de verbeelding een ogenblik aan de macht helpen in ons hoofd, zal iedereen kunnen beamen. Al dan niet bijgelicht door de lichtbundels van een vuurtoren.

 

over een verlaten kinderwereld schijnen ze, over golfbrekers

en onbezonnen liefdes, het onbedwingbare

heimwee later, over alles wat met geen tij nog keert –

 

Dat heeft de zee dan in ieder geval met de poëzie gemeen: dat hij het onzichtbare zichtbaar maakt. Ook de andere gedichten in Als het ware bieden die ruimte. Zodat we na het bovenstaande absoluut niet vreemd meer opkijken als de bundel eindigt met

 

o, om op zekere dag steeds verder af

te drijven, van jezelf, de laatste dingen, je heden

 

Het zijn regels die helemaal niet meer over de zee gaan. Ze komen uit het gedicht ‘Venetiaanse passages’ aan het eind van de bundel. Maar ze bevestigen tegelijk alles wat vooraf ging. En vormen daarmee een mooie samenvatting van een lezing die de poëzie van Tentije ons zelf in de schoot werpt.