Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Wim Hofman: Op zekere dag ziet u plotsklaps

de ware liefde.

(2009). Amsterdam: Querido.

ISBN 978 90 214 3729 3, € 17,95, 91 blz.

 

 

Kinderlijk eenvoudig maar zeer volwassen  |

 

Iedereen weet dat er een wereld van verschil bestaat tussen boeken voor kinderen en boeken voor ‘grote’ mensen. De griezelboeken van Paul van Loon zijn voor kinderen, de romans van A.F.Th. van der Heijden voor volwassenen. In geval van twijfel geeft de kaft uitsluitsel.

Maar hoewel de extremen weinig te raden over laten, is het vaak wel lastig om de grens precies vast te stellen. Over Spijt! van Carry Slee twijfelen we niet. Da’s een jeugdroman. Maar Moederkruid van dezelfde schrijfster heet een boek voor volwassenen te zijn. Toch zijn over dat laatste werk de meningen op zijn zachtst gezegd verdeeld. En als uitgevers dan ook nog boeken op de markt brengen in een kinder- en een volwassenenversie, dan raken we natuurlijk helemaal de draad kwijt. Zeker als het enige onderscheid tussen die twee de kaft blijkt te zijn, zoals bij Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon. Mag dat op de lijst voor 5 havo? Of alleen als ze het boekje met de goede kaft gelezen hebben? (Of willen we al helemáál geen vertaalde literatuur?)

 

Bij poëzie heb je dat probleem niet zo. En dan heb ik het met name over lyrische poëzie. Die kun je eigenlijk alleen maar verdelen in ‘goed’ en ‘slecht’. Het idee van zulke gedichten is immers dat je woordloze gevoelens, ervaringen, gedachten en meer van zulk abstracts vertaalt in tekst. En dat lezers die tekst dan weer terug vertalen in gevoelens et cetera. Mensen die er voor doorgeleerd hebben, noemen dat het ‘translationele aspect’ van de lyriek. Dat klinkt heel mooi, maar de werkelijkheid is nog veel mooier. Goede gedichten kunnen namelijk inderdaad iets meer zeggen dan wat er staat. Net zoals goede schilderijen meer te vertellen hebben dan de verf waaruit ze zijn opgebouwd. En lukt dat niet, dan is het misschien wel helemaal niet zo’n goed gedicht (of schilderij). Het is wellicht geen toeval dat goede dichters zich ook vaak bezighouden met de schilderkunst: Hugo Claus, Lucebert, Armando.

In dat rijtje hoort ook Wim Hofman thuis. Behalve als beeldend kunstenaar is hij natuurlijk allereerst bekend als schrijver van kinderboeken als Koning Wikkepokluk de Merkwaardige zoekt een rijk en Zwart als inkt.

Op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde is zijn derde dichtbundel voor volwassenen. Hoewel, volwassenen. Door een aantal van Hofmans gedichten schemert zijn kinderboekenschrijverschap heel herkenbaar door. Dat is geen bezwaar, eerder een verademing. Bijvoorbeeld in de 18 gedichten (of het 18-delige gedicht) ‘Suusje Oliepietz’. Het begin lijkt zo eenvoudig:

 

Suusje Oliepietz bakt een eitje voor mij,

ze roert met een stokje

en port in het vuur

en verbrandt daarbij haar rokje.

Uit, uit, het vuur moet uit.

 

Een kinderversje? Misschien. Maar waarom staat er dan als titel boven: ‘Suusje Oliepietz zegt dat zij voor het ongeluk geboren is en dat wij daarom zo goed bij elkaar passen’? Die titel maakt van het kindergedicht een metafoor. Zodat wij twintig bladzijden verderop Suusje Oliepietz misschien nog steeds niet kennen, maar ons terdege kunnen voorstellen wat het betekent om voor het ongeluk geboren te zijn.

De gedichten in Op zekere dag… doen van tijd tot tijd onbekommerd een beroep op de verbeelding van de lezer. Nou gebeurt dat natuurlijk wel vaker in goede poëzie, maar Hofman benoemt het zelfs heel expliciet:

 

Wat in het binnenste

van de wolk gebeurde, laten wij

graag over aan de fantasie

en aan bespiegeling

 

Aan A de fantasie, die

zo onvermoeibaar is

en die zo dikwijls troostvol

uitkomst biedt.

 

Aan B de bespiegeling, zo vermetel

en o zo vol pretentie

en vurig verlangen

naar een aan het extatische

grenzend inzicht.

Onbegrensd inzicht.

 

Inzicht verwerven door fantasie en bespiegeling, dat lijkt bij uitstek het domein van de poëzie. Maar het is natuurlijk een levenshouding die op veel meer terreinen zijn nut kan bewijzen. Waarmee de poëzie zelf een metafoor lijkt te worden.

Kijken we nog even naar het titelgedicht, of liever: het gedicht waarin de titel van de bundel een rol speelt. Het heet ‘Wat doet u’.

 

Stel:

op zekere dag ziet u plotsklaps de ware liefde.

 

Wat doet u?

 

U legt uw mes neer,

U laat het mes het mes.

U laat uw jas, uw hoed vallen,

U laat de jas de jas, de hoed de hoed.

U rijdt uw auto tegen het trottoir.

U laat de auto de auto.

U vergeet alles.

 

Zo gaat het gedicht nog even door met wat er zoal te doen is, als u de ware liefde ziet. Het deed me op een gegeven moment een beetje denken aan dat gedicht van K. Schippers, dat drie bladzijden lang opsomt wat je allemaal kunt doen voordat je een appel eet. Maar Hofman heeft meer te zeggen. Omdat een mens natuurlijk ook heel verschillend kan reageren op iets bijzonders als de ware liefde. Je kunt alles achterlaten, zoals in het eerste deel van het gedicht. Het kan tot nadenken stemmen, zoals in deel 2, met de prachtige conclusie ‘Dit is de Leegheid die Inzicht heet’. Of je doet niets en gaat gewoon door met werk en gezin alsof er niets aan de hand is.

Maar er is nog een vierde mogelijkheid. En die heeft met het gedicht zelf te maken:

 

Of

 

U wacht desnoods af wat de ware liefde gaat doen.

U leest dit gedicht, als het al een gedicht is

en wat blijkt eruit?

De ware liefde doet (u) niets, niet echt.

En u laat daarom het gedicht het gedicht.

Mocht het een gedicht zijn.

 

Wat doet u?

 

De gedichten van Hofman zijn poëzie zoals poëzie moet zijn, althans zoals ik me voorstel dat poëzie moet zijn. Dat hij daarbij zijn ervaring en kracht als kinderboekenschrijver aanwendt, is (in ieder geval bij deze dichter) een pre. En wie als volwassen lezer meent dat Suusje Oliepietz niets met echte poëzie te maken heeft, ach, die moet zich misschien maar tevredenstellen met de gedachte dat gedichten sowieso niets voor grote mensen zijn. Niet de minsten gingen hem daarin voor, Menno ter Braak dacht er niet anders over.