Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Ingmar Heytze: Utrecht voor gevorderden.

De Domstad in 49 nieuwe gedichten (2011).

Amsterdam: Uitgeverij Podium.

Isbn 978 90 5759 423 6, €14,00, 70 blz.

 

 

 

 

 

Leve de belevingswereld!  |

 

 

De mensen die mij kennen, weten dat ik niet zo van ‘de belevingswereld’ ben. En dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt. Literatuur, en vooral poëzie,  is bij uitstek geschikt om die eigen bekende, vertrouwde wereld eens achter ons te laten. Dat ze bij aardrijkskunde de huiselijke omgeving van het kind als startplaats nemen, kan ik billijken – al hebben de lessen over Binnen-Mongolië mij persoonlijk altijd meer geboeid dan die over Hattemerbroek. Het zal aan mij liggen.

Bij literatuur ligt dat anders. Als je Japan wilt leren kennen, moet je geen roman van Murakami lezen, maar naar Japan afreizen. Maar als je het heelal van je gedachten wilt laten uitdijen, dan kun je beter die roman lezen. Als lezen geen avontuur is, kun je het beter laten.

Zo beschouwd zijn stadsdichters een raar literair fenomeen. Zij staan haast per definitie midden in de belevingswereld van hun lezers, wat geen benijdenswaardige positie is. Het is een plek waar de poëzie niet thuishoort. Wil zo’n stadsdichter tot krachtige poëtische daden komen, dan is een lichte mate van schizofrenie onmisbaar. Jury’s dienen daar goed op te letten, als zij een nieuwe stadsdichter kiezen.

In 2007 maakte ik per ongeluk deel uit van de jury die een nieuwe stadsdichter voor Eindhoven moest voordragen. Ik wist hoegenaamd niets van Eindhoven en dat hielp. Er zat veel te veel liefde voor de stad tussen het aanbod. Maar toen ik een inzending van Arnoud Rigter las, was ik verkocht:

 

Wat snift het kosmische neusgat boven ons?
Steek uwer tongen de lucht in, medemensen,
welke smaak waait van welke richting?     Eindhoven, 
                                                                   waar zijn wij?  

 

Hier wierp een hogere hand ooit torenspitsen in het gras
waar zich dorpen vormden. Zoals altijd kool, 
                                klompen & bidden
met op harde bodem een zachte g, u
begrijpt: dat suddert een eeuwtje of wat voort...
Maar
        wat            ritselt daar over de weide?

 

Dit is het begin van een langer gedicht met de titel ‘Toen Eindhoven nog een klein peertje was’. Het gedicht verraadt een eigenzinnige blik op de belevingswereld van de Eindhovenaren. En daarmee is het een gedicht dat die belevingswereld op een volwassen manier is ontgroeid. Goede stadsgedichten zijn ook uitstekend te genieten door wie de stad niet kent.

In de onlangs verschenen bundel Utrecht voor gevorderden van Ingmar Heytze staan zulke gedichten. Heytze was gedurende twee jaar (2009 en 2010) officieel stadsdichter van Utrecht, een functie die hij ‘officieus’ al langer bekleedde. Waarom is Heytze een goede stadsdichter? Lees mee en oordeel zelf:

 

Wat wordt er ontvangen in Satellite City: fijnstof.

Asfaltwalmen. Ruis van thuis met witte schotels,

duizenden aandachtig schuine oren hemelwaarts

gericht. Allah is een satelliet. Wie goed luistert

 

hoort hoe de sterren fluisteren van een gedeelde

hemel – laat de tijdgeest met zijn bleke pruik maar

door de kamers waren en vervagen. Heilige boeken

zijn reisgidsen voor woestijnen waar wij wonen

 

tussen water en uitvalswegen, we stromen als zout

uit de mouwen van een goochelaar de wereld in en

niemand houdt ons tegen. Wij groeien op als rozen

tussen oud beton. Wij bloeien bloedrood naar de zon.

 

Dit gedicht (zo leert ons de verantwoording achterin de bundel) is een lofdicht op de Utrechtse wijk Kanaleneiland. De ‘bleke pruik’ en de ‘goochelaar’ verwijzen naar beroemde oud-bewoners: Geert Wilders en Fred Kaps. Allemaal informatie die het gedicht in een belevingswereld plaatst. Maar het knappe is dat het ook zónder die weetjes een sterke tekst is. Juist voor lezers uit Heiloo of Breskens doet dit gedicht, wat een gedicht moet doen: het zet de ramen wagenwijd open en biedt vergezichten naar evenveel interpretaties als er lezers zijn.

Ik heb het op school weleens over de cyclus ‘weg/verdwenen’ van Gerrit Kouwenaar. Negen wonderlijke gedichten die ineens een belangrijk deel van hun betekenis kwijtraken als ik erbij vertel, dat ze over de afbraak van de galerij van het Amsterdamse Paleis voor Volkskunst gaan. Ja, dan valt ineens alles op zijn plaats. Maar het valt wel allemaal op dezelfde plaats.

Meteen na ‘Satellite City’ volgt ‘Ander huis’, een kort gedicht dat begint met ‘Dit gedicht is jullie nieuwe huis. / Ik bouw het met de beste woorden / die ik ken.’ En eindigt met ‘Door de stuiken sluipt een kater, / maar alle nesten zijn te hoog.’ Het is een ontroerend gedicht over veiligheid of geborgenheid of zo. Een lezer uit een andere stad hoeft niet te weten wie die ‘jullie’ uit de eerste regel zijn. Met kennis van de achtergronden (het gaat over een homostel dat door allochtone jongeren was weggepest uit de wijk Leidsche Rijn, indertijd een landelijk nieuwsfeit) verliest het gedicht niets aan ontroering. Maar misschien wel aan openheid. Het sluit zich rond zijn oorspronkelijke betekenis. De toelichting verhindert dat het ‘mijn’ gedicht kan worden.

 

Tot mijn onbeschrijflijke genoegen bevat Utrecht voor gevorderden ook een gedicht dat wat ik hierboven bedoel heel mooi illustreert. Ik citeer het in zijn geheel:

 

Een zoon omhelst zijn vader nu hij sterft.

Het lijkt of de een in de ander verdwijnt,

maar dichters verdwijnen niet in zonen.

 

Zij wonen bij leven al half in de taal,

lijfeigen. Als er geen woord meer bestaat

voor de liefde, de dood, de poëzie,

 

deze drie, zullen zij zwijgen – eerder niet.

Een dichter plant woorden als appelbomen

in zijn gaarde, vroedmeester, tuinman en kraai

 

tegelijk. Een dichter slaat een bladzijde om

als een straathoek Awater. Hij dicht zich

een deur naar het licht en stapt erdoor.

 

Een dichter (ikzelf houd het liever op: een gedicht) schept zijn eigen ruimte en zijn eigen wereld. Zijn enige beperking is de taal. Maar het is juist die beperking die de lezer zoveel ruimte biedt. Een aardige illustratie daarvan vormt de zin ‘Een dichter slaat een bladzijde om als een straathoek Awater’. Strikt genomen is deze zin syntactisch correct, maar toch blijft het beeld hangen van een straathoek die actief Awater laat verdwijnen – zoals een bladzijde de dichter, denken we er dan achteraan. Dat staat er niet, maar dat lezen we. En ineens is het een tekst die krachtiger is dan zijn schepper. Met als bijkomend voordeel: zodra de dichter verdwenen is, is het gedicht helemaal van de lezer.

En dat het dan concreet gaat over het overlijden van Guillaume van der Graft in november 2010 in Utrecht, doet in feite niet echt meer ter zake. De ‘bedoeling van de dichter’ is teruggebracht tot één van de vele ‘bedoelingen van het gedicht’.