Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

F. Harmsen van Beek: In goed en kwaad. Verzameld werk (2012).

Amsterdam: de Bezige Bij.

Isbn 978 90 234 6988 9, €29,90, 511 blz.

 

 

 

 

Men hoeft als solitair geen adelaar te wezen  |

 

 

Toen een paar jaar geleden onze trouwe kater Karel aan zijn laatste dagen was begonnen, heb ik bij hem gewaakt en hebben we herinneringen opgehaald. Over hoe we samen de muizenjacht organiseerden in de schuur bijvoorbeeld. In mijn onwetendheid sprak ik het beest toe in gewone mensentaal, waar hij uiteraard niets van begreep. Waarschijnlijk (houd ik me maar voor) putte hij nog enige troost uit mijn monotone stemgeluid.

Ik had natuurlijk beter moeten weten: al sinds 1962 weet Nederland immers in welke taal katten getroost dienen te worden. Op 3 februari van dat jaar verscheen het gedicht ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping’ van F. Harmsen van Beek in Vrij Nederland. Drie jaar later werd het opgenomen in haar debuutbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten, nog steeds één van de meest opzienbarende bundels uit de moderne Nederlandse poëzie. Een paar citaten uit het kattengedicht:

 

[…]

 

Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige

vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel

 

bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet,

kom je op mijn tak – o de sierlijke levendige

 

vogels, allemaal voor de brave poes,

die veelbeproefde droevige moeder. […]

 

[…] nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,

 

dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?

Het is nu beter te zitten zonder weemoed in

 

de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog

teder is en de gordijnen levendig in de goede

 

vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,

kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,

 

[…]

 

Kijk, zo spreek je dus een kat toe die het moeilijk heeft. Met woorden waarin tegelijk onderdanigheid en empathie meeklinken, zonder dat de ware aard van de problemen angstvallig vermeden wordt. In onderhavige geval had de poes van Fritzi Harmsen van Beek haar nakomelingschap door een vreemde ziekte verloren. Of in de woorden van de dichteres: ‘Ja verdomd, // deze ziekte […] / is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk: // er valt niet tegenop te baren’. Troostrijke taal? Voor een kat ongetwijfeld wel!

Deze combinatie van anekdotisch vertellen en hoogdravend taalgebruik lijkt in eerste instantie een beetje te wringen. Het gaat toch gewoon om een huiselijk voorval met een kat? Het is daarom juist die taal die het gedicht los laat komen van zijn alledaagse onderwerp. Het is ook de taal die, in andere gedichten, zich soms heerlijk virtuoos los lijkt te zingen van welke betekenis dan ook. Zo lezen we in het gedicht ‘Moeder of vader’:

 

niemand, ook hij niet, bleek van meerdere zeeën

overspoeld, verwekt uit menigvuldig zaad. Toch

 

wilde hij een zwaar, machtig man zijn, het bed

delen met deze ene onwijze kat, gediend zijn van

 

haar haakse pootjes, aangeblikt door haar reliëf-

loos oog en haastig, gruwelijk besnord, wilde hij

 

nestelen in al haar takken bloot. […]

 

[…] Hij wou haar koorts,

haar ogen sluit en tong klem Hij wou haar wel van

 

wanhoop schubbig, vel gestold en vederloos volslagen,

geplunderd als een engel, die, uitzinniger bemind,

 

van weerzin eindelijk bezweek en roerloos werd. […]

 

Hier heeft de taal de macht helemaal overgenomen van de letterlijke betekenis van de woorden, hoewel we er ons natuurlijk van alles bij kunnen voorstellen. Vooral als we meteen na deze passage lezen: ‘Hij / werd bij haar crematie vreemd’. De taal komt hier wel wat in de buurt van die van de Vijftigers, maar is tegelijk zoveel aardser en minder abstract, juist omdat de relativering nooit ver weg is.

 

In haar latere bundels krijgt in de gedichten van Harmsen van Beek het verhalende, eenduidige en relativerende nog meer de overhand. Dat leidt van tijd tot tijd tot knappe taalbeschouwingen: ‘Bediende is een verkeerd gehanteerd woord: / de gene die bediend wordt, ìs het, de andere is // slechts dienaar.’ Maar ook tot mooie narratieve teksten. Als voorbeeld het begin van ‘De theorie van de einzelganger’ uit Kus of ik schrijf (1975):

 

‘Het is vreemd hier, net een, eenigzins mis-

lukt, strand: ik een mislukte jutter, omdat, op

 

het juiste moment, de juiste plek, ik niet de juiste

vuren brand, zodat de schepen op geen banken lopen.

 

Vader, een beruchte stroper, die op de koop toe,

het vissen en stoken van onheilige vuren, tenslotte

 

ruilde voor een haringtent, zei het ook al, toen ik

nog een jong was. Ach, voor roven deugt hij niet, mijn

 

zoon. En al te waar het was, helaas, en daarom hoor

ik bij geen enkele bent, bij gene kudde – neen, néé!

 

Hier zingt de taal zich niet los van de betekenis, maar eerder andersom, zo lijkt het. De taal van de jutter dwingt het gedicht tot spelling- (‘eenigzins’) en stijlvarianten die bij deze ‘einzelganger’ horen. Een man die zich als autodidact trouwens nog wel een boeiende theorie heeft eigengemaakt: ‘Men hoeft, // als zijnde solitair, geen adelaar te wezen. Toch, er / is zoiets als de taal van edelstenen – een solitair is // van de zuiverste een van alle en spreekt uit louter / schaamte niet de taal van de brillianten die hem // meestal wel omringen’. Het gaat er daarom bij solitairen om, te zoeken naar een zetting ‘van ijzer, platina // of glas, of lood, liefst aluminium’, zodat je daarin als solitaire edelsteen gevat kunt worden. Waarna de theoretiserende jutter eindigt met:

 

jawel, zo ben ik al gevat als solitair, en ingewijden

weten dan of je Katholisch bent of Protestant.

 

Zoals bekend wilde Fritzi Harmsen van Beek al heel lang niet meer dat er werk van haar opnieuw uitgeven werd, althans niet tijdens haar leven. Dat er nu, drie jaar naar haar dood, een Verzameld Werk ligt, is dus niet in tegenspraak met die wens. Een groot voordeel van zo’n complete verzameling is dat hij behalve de poëziebundels ook al haar andere literaire werk bevat. Ook de meesterlijke verhalen – lees bijvoorbeeld ‘Lachen om de witte beer’ uit Neerbraak (1969) eens met uw leerlingen.

Bijzonder is het door haarzelf geïllustreerde Gewone Piet & andere Piet uit 1969. Is het een verhaaltje? Of is het een ‘graphic poem’ (maar dan wel heel ver avant la lettre)? Oordeel zelf:

 

Toevallig, in de Lijdensweek

legde een van de twee

een ei, en later op

die zelfde dag nog

een paar. Ook,

(in de zin van: even-

eens) toevallig, at

de kat die piet op op

Goede Vrijdag.

 

[…]

 

Vogels kunnen niet, zoals

mensen om andere mensen,

verdriet hebben om een

andere vogel. Als een

roodborst een andere

roodborst pijnlijk

        mist,

denkt hij dat

hij pijn heeft aan z’n

eigen roodborst.

 

Vooruit, misschien is het gewoon een verhaaltje, maar zelfs dan heb ik wel mindere gedichten gelezen.