Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Micha Hamel: Nu je het vraagt.

(2010). Amsterdam/Antwerpen: Augustus.

Isbn 978 90 457 0315 2, €19,95, 72 blz.

 

 

In de speeltuin van de dichter  |

 

 

Als ik in de winkel een potje bruine smurrie koop, is het wel handig als de maker van het spul er ‘pindakaas’ op heeft gezet. Dan weet ik dat het ondanks de onbestemd ogende inhoud wel goed zit. Om diezelfde reden vind ik het prettig dat Nu je het vraagt, de derde bundel van dirigent/componist/dichter Micha Hamel, het opschrift ‘gedichten’ heeft meegekregen. Want zelf was ik daar niet in alle gevallen opgekomen. Zo is het titelgedicht (ja, nu noem ik het ook allemaal maar gedichten) een vier pagina’s lange prozaverhandeling over een markante jeugdherinnering. Ergens anders (‘David’) laat hij Bathseba in een stevige rap de koning toeschreeuwen, die haar volgens het bijgeleverde Bijbelcitaat bij zich ontbood voor een stevige vrijpartij, waarna hij het meisje weer naar huis stuurde.

 

Yo David, die geile Jood

            die legt me in een lui luizig bedje

            van diep diepere groove

 

David koning King

King Kong David

Apencoole swing

Negerswing Jodenjubel

Jodenkoning King

 

Waarna al associërend ook Barry White, Marvin Gaye en Elvis nog langskomen.

Een prozagedicht en een rap zijn trouwens nog maar twee van de vele vormen die Hamel zich in de bundel toe-eigent. Er komen onder andere ook ready-mades en sms-gedichten (gedichten ter grootte van een sms’je) langs. In eerste instantie lijkt Nu je het vraagt dan ook een allegaartje. Begrijpelijk dat er zo wisselend op gereageerd is. Tom van Deel sabelt in een recensie de bundel genadeloos neer, terwijl Yra van Dijk betrekkelijk positief oordeelt.

Het is, zoals vaker, maar net welke insteek je kiest. Als je als lezer op zoek gaat naar een coherente en oorspronkelijke vorm, dan kom je bij Hamel bedrogen uit. Raps, ready-mades en sms-gedichten zijn er al genoeg. En vaak nog beter ook. Zo doet ‘Stilleven met passanten’ wel heel erg aan K. Schippers denken:

 

09.00   peer peer banaan

sinaasappel appel

   appel appel

 

11.05   peer

sinaasappel appel

   appel appel

 

15.33   peer

              appel appel

 

Waarmee het uiteraard nog helemaal geen slecht gedicht is.

Maar de bundel wordt ineens een heel stuk aantrekkelijker als je hem beschouwd als wat hij volgens mij ook is: een vrijplaats voor de dichter. Een speeltuin, voor mijn part. Hamel is op zijn sterkst als hij in krachtige beelden het leven van alledag schetst. Zoals in ‘Aan het ontbijt’:

 

Ik monster de Kaukasiërs die hier rondrennen en stel opgelucht vast

dat hier geen wereldnieuws gebeurt. De rechtschapen planeconomie

 

van het gezinsleven is ten volle manifest. De basis is het op tijd laten

lukken van het transport van personen en goederen. Dan volgt waardering

 

voor wat pruttelt op de treeft, het kunnen verwerken van je verlies plus

het bijbenen van de tientallen kilo’s strijk en was. Kwartier- en gangmaker

 

zijn wettelijk verplicht hun talenten uit te wonen ten gunste van diegenen die de

zwemdiploma’s moeten halen. Drie vooroorlogse kinderen van twee naoorlogse

 

ouders genieten een opvoeding en ja dat is meer dan normaal. […]

 

Kinderen die als Kaukasiërs rondrennen en die even verderop nog eens het krachtige beeld van ‘3fte kinderen’ meekrijgen zijn herkenbaar voor iedere ouder en voor ieder kind met  jongere broertjes en zusjes. Hamel beschrijft het opstarten van de dag zo, dat de lezer er zelf moe van wordt, zelfs als hij de drukke gezinstaferelen niet uit eigen ervaring kent. En aan het eind van het gedicht gunt hij Hamels multitaskende ‘ik’ zijn afsluitende wens dan ook van harte: ‘Voor mijn volgende verjaardag / vraag ik een weekend weg.’

 

Hamel zelf beweert in de flaptekst dat Nu je het vraagt ‘een waaier van versvormen’ is, waarin hij de ‘puzzel van zijn leven’ legt. Dat zal wel, ik ben nooit zo onder de indruk van flapteksten. Elke uitleg bij gedichten perkt de vrije interpretatie van de lezer alleen maar in. En dat is jammer. Maar toch blijft dat idee van zo’n waaier, een staalkaart, wel hangen. Hierboven noemde ik de bundel al even de speeltuin van de dichter. Misschien moet ik die visie een tikkeltje bijstellen. Als je er goed naar kijkt, is het misschien eerder een speeltuin voor de lezer, een plek met allerlei bekende speeltoestellen die hun aantrekkelijkheid vooral te danken hebben aan het feit dat ze weliswaar herkenbaar zijn, maar toch ook weer nét een beetje anders. Kijk eens naar het volgende voorbeeld.

 

GROTE KOE *

 

Boe rijmt op koe

omdat een koe koe

heet omdat ze boe zegt

 

Want koe is de noemer van

fantasmagorische transcripties

als weu-eu, ngûû, hüao, ååeuo,

mühuoow, gguoouuuiiouw

 

en hoe

 

In dit gedicht fluistert op de achtergrond het speelse ‘De koe’ van K. Schippers mee – en daardoor nog verder weg ‘De dichter is een koe’ van Gerrit Achterberg en al die andere gedichten van dichters met koeien (van Leo Vroman tot Rien Vroegindeweij). Maar via de asterisk achter ‘Grote koe’ opent Micha Hamel nóg een vergezicht, in een voetnoot die op zichzelf ook weer een gedichtje is: ‘Ik, aan het hek met mijn / zoon in het fietsstuurstoeltje, wijzend: / “Kijk, daar, wat een grote koe!” / En hij: “Oote boe!”’ Waarmee hij de hekken rond mijn speeltuin in één klap nog verder opengooit naar Hanlo en Lucebert en daarvandaan verder naar de klankrijkdom van Guido Gezelle – of waar ik maar heen wil.

Mag ik aan poëzie een zekere functie toekennen? Er bestaat geen wet die het verbiedt, dus vooruit: poëzie moet mij vergezichten tonen die voor anderen verborgen blijven. En daar is Micha Hamel wonderwel in geslaagd. Nooit meer zal ik Hanlo’s ‘Oote’ lezen, zonder aan Achterberg, Schippers en Hamel te denken. En da’s pure winst.