Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

Luuk Gruwez: Wijvenheide (2012). Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers.

Isbn 978 90 295 8329 9, €17,95, 81 blz.

 

 

 

 

 

Over varkens, zwijnen, dode dichters  |

 

 

Op 31 december 2010 pleegde de Nicaraguaanse dichter Francisco Ruiz Udiel zelfmoord. Da’s triest, voor de familie en voor de poëzie. Udiel was namelijk geen kleintje. De dichter had een paar mooie prijzen achter zijn naam staan. Ten tijde van zijn zelfgekozen dood was hij 33 jaar oud. Wat natuurlijk wel weer een mooie, betekenisvolle leeftijd is.

Tot voor kort had ik evenwel nog nooit van deze gelauwerde en betreurde poëet gehoord. En ik ben ongetwijfeld niet de enige. Want wat zoekoefeningen via Google leverden uitsluitend Spaanstalige resultaten op. Niks in het Nederlands en zelf niks in het Engels. Ook op Wikipedia is hij een grote onbekende. En hoewel ik over het algemeen geen groot liefhebber van het vluchtige webbestaan ben, stemde deze ontdekking mij toch wel treurig. Een dichtersleven, in de kiem gesmoord, zal waarschijnlijk voor eeuwig in vergetelheid rusten.

 

Ik las zijn naam voor het eerst in Wijvenheide, de nieuwe bundel van de Vlaamse dichter Luuk Gruwez. Hij heeft een herdenkingsgedicht voor de Nicaraguaan geschreven, alsmede vier regels toelichting achterin. Daar moet Francisco Ruiz Udiel het voor de Nederlandstalige lezers voorlopig mee doen. Het eerbetoon is er, in al zijn beperktheid, niet minder om. Het gedicht heet ‘Elders slapen’ en ik citeer het slot:

 

[…]

Je weet alleen: niet een, niet een van ons is heel,

 

maar net zo snel vergeetbaar als de dichters die verzen

plegen terwijl zij in hun neus pulken, hun keel schrapen,

de schimmel van tussen hun tenen halen. Net zo snel

als een inktvlek, een lolly, een vakantieliefde

 

of als de flonkerende flater van een laffe natuur

die geen mens zou hebben gemist als zij er nooit

waren geweest. – Weer maf je elders nu,

Francisco Udiel. Vertel mij: went dit wel?

 

Wie zo wordt herdacht, heeft niet voor niks geleefd, dunkt me. Gruwez verstaat de kunst om banale alledaagse zaken (neus pulken, lolly, vakantieliefde) in een haast sacraal verband te plaatsen. Zijn gedichten suggereren daardoor een bedrieglijke lichtvoetigheid. Om vervolgens de lezer keihard om de oren te slaan met waar het werkelijk om gaat. Dat kan de dood van een dichter zijn, maar ook die van zeshonderd varkens in een afgebrande schuur.

 

De varkens zijn ontslapen in den Here. Zes maal honderd

in getal. Gezegend zij hun vlees, bedoeld om toe te nemen.

Maar vastberaden maanwaarts stoof hun ziel, hun vet droop

naar de aarde af en hun geknor streek neer in snurkers.

 

Best zielig voor die varkens. Maar is de toon niet een beetje al te hoogdravend voor een bedrijfsongeval met beesten die toch al rijp waren voor de slacht? Wat zijn dit voor eigenaardige krokodillentranen die het gedicht hier produceert? Of is het misschien ironisch bedoeld in de beste traditie van dichters die religieuze verwijzingen aan zeer, zeer aardse zaken koppelen (Perk, Claus)?

Geen van tweeën, denk ik. Want na deze eerste strofe gaat de tekst toch wat lichter van toon verder:

 

Hun laatste modderige knipoog was voor mij,

hun maat, hun groupie en hun toeverlaat.

Nog even kwam, als rook of stoom, een idioot

gekringel uit een oor. Hierna zijn zij, geloof ik,

 

doodgewoon uiteengespat, net toen zij weg zochten

te komen uit hun spek. Aldus zijn zij ontslapen

in den Here. Zes maal honderd in getal.

 

Maar wat met ons? Wat omtrent ons?

Niet een van ons raakte gewond.

 

Het gaat mij natuurlijk om die laatste twee regels, die als de wending in een (net niet) shakespearesonnet ons de waarheid in het gezicht smijten. Twee vragen, of liever: één vraag op twee manieren gesteld, zonder dat de kern van de vraag helder wordt. Staat hier ‘Wat gebeurde er met ons?’, of ‘Wat heeft dit met ons te maken?’, of ‘Wat zegt dit over ons?’ Het gedicht biedt ons alle gelegenheid om er op een makkelijke manier mee weg te komen. Op het informerende ‘Wat gebeurde er met ons?’ komt het geruststellende antwoord ‘Niet een van ons raakte gewond.’ Waarmee het toch nog goed afgelopen is.

Maar tegelijk komt op het verwijtende ‘Wat zegt dit over ons?’ het strenge, beschuldigende: ‘Niet een van ons raakte gewond.’ Want reken maar dat wij voor onszelf wél goed zorgen, is dan de boodschap.

Voor de dichter is met al die meerduidigheid de kous overigens nog niet af. Slechts vier bladzijden verderop komen zwijnen, kringelende rook en vlees terug in het gedicht ‘Binnen en buiten’. De context en het thema zijn veranderd, maar de woorden niet. Zodat menselijk lijden en het leed van de varkens steeds meer met elkaar te maken hebben.

 

Het is in Wijvenheide niet alleen maar kommer en kwel, al is ook bij de lichtere gedichten het navrante nooit ver weg. Zoals in ‘Oma’s metafysica’, een loflied op een grootmoeder van hyperbolische proporties (het loflied, niet de grootmoeder):

 

Oma’s fysiek: nooit komt daar eens een barstje in.

Zij drinkt white spirit uit een soepterrine, slurpt

cyaankali met een rietje of propt zich tussendoor

met ijzervijlsel vol. Waarna één boer, en opgelost!

 

Zij zingt ook zelf de lof van heel haar lijf.

Zij hinkt met stoere kuiten door het dorp, bezit

de elegantste kromme neus, het sterkste kunstgebit.

En wie heeft een zo virtuoze wandelkruk als zij?

 

Eenieder met een beetje mensenkennis

beweert dat ik haar idealiseer. Dat zij bijvoorbeeld

amper weet of het vandaag of gisteren of morgen is.

En dat zij kaarsen brandt voor een of andere louche Heer.

 

Maar het is heerlijk om haar op te hemelen.

 

Los van het feit dat het voor sommige lezers een sport kan zijn om in dit gedacht alle (tientallen) stijffiguren en woordspelingen te identificeren, biedt de tekst in al zijn lichtheid ook genoeg stof tot interpretatie. Zingt de ‘ik’ hier wel de lof van deze vrouw? En zo ja, wat doen die cyaankali en dat ijzervijlsel daar dan bij? Is dat alleen maar overdrijving? En hoeveel betekenissen heeft het slotwoord ‘hemelen’? Gruwez weet zelfs in zijn lichtste teksten het menselijk tekort nog te verwoorden – al is dat in het fraaie titelgedicht wat minder. Ik geef het u tot slot, zonder commentaar, als een weldadig feest van klank en sprookjesachtigheid.

 

Laat ons naar Wijvenheide gaan.

Hoe jammerlijk dat afstanden bestaan,

maar wie per se naar Wijvenheide wil,

komt ook in Wijvenheide aan.

 

Laat ons naar Wijvenheide gaan.

Daar strijken karekieten neer.

De rietpluim wuift wie straks weer

weg moet, nu al uitgebreid ten afscheid.

 

Laat ons naar Wijvenheide gaan.

In Wijvenheide ligt een groot geheim:

de zilverreiger broedt er op een spiegelei.