Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Annemieke Gerrist: Waar is een huis (2008) Amsterdam: De Bezige Bij

Isbn 978 90 234 2775 9,

€15,00, 48 blz.

 

 

 

 

 

De halve waarheden van Annemieke Gerrist  |

 

 

Laat ik vooropstellen dat ik de laatste ben die wil dat gedichten iets over de werkelijkheid vertellen. Maar áls ze dat doen, dan wil ik wel graag dat het hun eigen werkelijkheid is. En geen natuurgetrouwe weergave van de wereld om mij heen. Dan kan ik net zo goed (of beter) naar buiten gaan en eens lekker in die wereld rondwandelen. Poëzie die de lezer laat zien, wat hij zelf al lang ontdekt heeft, mist nou eenmaal elke vorm van urgentie. In haar bundel Waar is een huis verwoordt Annemieke Gerrist het als volgt:

 

Het is een groot misverstand

om eerlijk te zeggen waar het op staat of ergens in te geloven

 

Het is een opvatting die van tijd tot tijd in het sociale verkeer best wel handig is. Maar in de poëzie is hij onontbeerlijk. ‘Beter dan de waarheid is die andere: de halve’ schrijft Arnon Grunberg ergens. Het is een levensles die Annemieke Gerrist in haar gedichten met verve in praktijk brengt. Want haar teksten zitten weliswaar vol met herkenbare taferelen, maar telkens geeft ze er een draai aan die de lezer naar het puntje van zijn stoel brengt. Een voorbeeld:

 

Het platte land, de zwarte bomen

en elke auto die je aan ziet komen

 

Ik begrijp de auto die in de verte een bocht maakt

naar me toe komt en ik zie de bestuurder zitten

die de macht heeft over het stuur, de bomen die achter hem verdwijnen

 

De observatie is helder. Maar toch heeft het gedicht twee verrassingen in petto. Om te beginnen is er de vraag wat er in hemelsnaam aan die auto te begrijpen valt. Ziet de ‘ik’ iets wat voor de lezer buiten beeld blijft? Alleen al door de onrust die deze vraag oproept, krijgt de mededeling iets verontrustends, iets dreigends zelfs. Die auto heeft blijkbaar een bedoeling. En de bedoeling van auto’s die op je af komen, is meestal niet al te best. De boze bedoelingen van de auto worden vervolgens op het bordje van de bestuurder gelegd. Hij heeft de macht over het stuur, wat natuurlijk een vreemde opmerking is. We gebruiken hem doorgaans alleen in constructies als ‘de macht over het stuur verliezen’. Bij iemand die nadrukkelijk ‘de macht over het stuur’ heeft, ligt misbruik van die macht op de loer. Als hij niet uitkijkt, gaat het nog slecht aflopen met de ‘ik’.

En dan is er ook nog die lange laatste regel, die in de bundel bijna de hele breedte van de bladspiegel in beslag neemt. Die regel heeft haast letterlijk iets eindeloos. Waarmee het niet langer een gedicht is over een auto op een landweggetje, maar een onrustbarende beschrijving van een dreiging die tot in lengte van jaren op je af blijft komen.

Iemand die zoiets in vijf betrekkelijk eenvoudige regels kan oproepen, is voor mij een knap dichter.

 

Een ander gedicht begint met de regel

 

Op een trapje, een ijsje etend, vraagt een jongen me: ‘Verzamelt u iets?’

 

Hoewel dit slechts het begin is van misschien wel mijn favoriete gedicht uit de bundel, ondersteunt alleen deze regel al heel fraai wat ik hierboven bedoelde. Het trapje en het ijsje voeren de lezer eerst een alledaagsheid binnen die zijn weerga niet kent. Maar dan volgt die vraag: ‘Verzamelt u iets?’, wat toch niet de meest voor de hand liggende vraag is aan iemand die met een ijsje op een trapje zit. Meteen slaat de vervreemding toe. Ook het vervolg laat een aaneenschakeling zien van alledaagse beelden (‘Ik zit op een hoek van de Kalverstraat’, ‘Mensen stromen voorbij winkels in en uit’ en ‘Naast mij liggen twee honden’) die keer op keer uit het lood worden geslagen door wat ik gemakshalve maar subversieve toevoegingen noem. Neem als voorbeeld die twee honden. De lezer gaat er zonder meer van uit dat die honden niet bij de ‘ik’ horen. Anders had er wel iets gestaan als ‘Mijn honden liggen naast me’. Nee, ‘Naast mij liggen twee honden’ gaat over andermans dieren. En dan kijk je als lezer toch even op als de twee slotregels van het gedicht tot twee keer toe een subversieve draai blijken te nemen:

 

Naast mij liggen twee honden die niet van mij zijn

maar die ik best zou willen hebben

 

En alweer komen er vragen opzetten. Waarom staat er ‘die niet van mij zijn’? Dat wist ik toch al, of heb ik iets gemist? Waarna de tweede draai ook die eerste weer op losse schroeven zet. Iemand eet een ijsje naast twee honden die hij best zou willen hebben? Veel verder kunnen je toch niet van de vertrouwde realiteit af raken, lijkt me.

 

Een laatste voorbeeld:

 

Hij gaat het huis binnen en zet het raam open

Hij gooit haar spullen uit het raam

Ze komt thuis en vraagt of hij misschien net een film heeft gezien

Ze vraagt ook of ze iets kan aangeven wat niet al te zwaar is

Hij zegt dat bijna alles al op de stoep ligt.

 

Lees dit gedicht eens heel langzaam regel voor regel. En stel je aan het eind van elke regel voordat je verder leest twee vragen. Wat staat er precies? En hoe verhoudt deze regel zich tot de vorige? Dit kleine gedichtje is Annemieke Gerrist op haar best denk ik. Het zet met bedrieglijk eenvoudige taal de lezer stap voor stap op het verkeerde been. Denk er een film of een schilderij bij en je komt al gauw op surrealistische of zelfs absurdistische voorbeelden. Maar het zijn geen zichtbare beelden, het zijn slechts woorden. Het absurdistische beeld maakt de lezer er automatisch zelf bij. In zijn hoofd. En da’s een knappe prestatie van de auteur.

Annemieke Gerrist hoort voor mij tot de dichters die ik zeker in de gaten ga houden.