Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 


 

Johanna Geels: Tuig

Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2008, 51 blz.

€ 16,90  isbn 978 90 450 0590 4

 

 

 

 

Sprookjes voor een kort en ongelukkig leven  |

 

Het leuke van gedichten is dat ze van de lezer zijn. Dat gold al voor de kindergedichtjes van Hieronymus van Alphen. Een kind heeft meteen door dat ‘Jantje zag eens pruimen hangen, / o! als eieren zo groot’ niet over pruimen of eieren gaat, en al helemaal niet over Jantje. Want waar wij, arme volwassenen, ons nog wel eens willen laten misleiden door tekstgegevens (bijvoorbeeld de ondertitel ‘eene vertelling’ bij dit gedicht ‘De pruimeboom’), begrijpt een modaal kind lyriek zoals het bedoeld is: woorden die op mysterieuze wijze meer vertellen dan er staat. En dat ‘meer’ gaat altijd over de lezer, want die kan nou eenmaal niet voor een ander lezen. Als ik nu ‘De pruimeboom’ (zonder tussen-n!) lees, dan knagen de woorden nog steeds een beetje. Herinneringen aan grote en kleine misstappen uit een soms niet eens zo ver verleden kraken de leegstaande kamers van mijn geheugen en houden er opnieuw een piepklein beetje huis. Zodat het postume schaamrood me alsnog naar de kaken dreigt te stijgen. En dat terwijl ik geeneens pruimen lust! Met een echte vertelling heb ik dat veel minder. Ook als kleuter kon ik geboeid naar spannende en wrede sprookjes als Roodkapje luisteren, zonder dat ik de moraal van het verhaal op welke manier dan ook op mijzelf betrok. Roodkapje is zodoende nooit de waarschuwing tegen ongehoorzaamheid geworden, die ‘De pruimeboom’ wel is.

En dat is nog steeds zo. Titaantjes van Nescio gaat over de weemoed van Koekebakker, niet over die van mij. Maar bij poëzie ligt dat een slag anders. Noem het het mysterie van lyriek.

De bundel Tuig van Johanna Geels opent met dit gedicht:

 

Waterleven

 

in een dorpje aan de kust

woont een meisje met een

losgeslagen achterhoofd

 

zij leeft in halve gedachten

onafgemaakte zinnen

draaien haar dol

 

zo struint zij door de duinen

wacht op kwaaiepieren golven

keert dan haar rug naar zee

en laat zich volstromen met

kraal tepelhoorntjes en kelp

 

wie denkt dat zij ongelukkig is

heeft het mis

zij zingt de hele dag

 

Op het eerste gezicht een verhaaltje over een eigenaardig, sprookjesachtig meisje, compleet met ‘er was eens’-achtig begin. Maar het is helemaal geen verhaal, het is een gedicht. En daardoor lees ik het heel anders. Veel vrijer misschien wel, omdat het als gedicht ook een beetje mijn tekst is. Daardoor ook kan ik wat makkelijker uit de voeten met de eigenaardige, de verbeelding prikkelende elementen, waarmee de tekst ineens zoveel vragen stelt. Wat zijn bijvoorbeeld kwaaiepieren golven? Golven die overal de schuld van krijgen? Golven die iets kwaads in de zin hebben? Of mag ik achter ‘kwaaiepieren’ een komma denken, zodat het er allemaal weer heel anders uit komt te zien? Door deze en andere vragen bezet het gedicht een lyrische ruimte, die een epische tekst nooit zou kunnen innemen.

Bovendien, en dat is zeker zo belangrijk, gaat het gedicht (omdat het een gedicht is!) nu ineens ook over mij. Het zijn míjn halve gedachten en onafgemaakte zinnen die het beschrijft. Bij een ander breng ik ze wellicht in verband met een losgeslagen achterhoofd of een andere handicap. Maar bij mezelf? Nee, ik kan niet zeggen dat ik er onder gebukt ga. Maar waarom denk ik dan dat een ander er wel ongelukkig van wordt?

Ach, het is maar een interpretatie natuurlijk. Maar wel eentje die meer vragen oproept dan beantwoordt. Precies zoals goede poëzie nou eenmaal altijd doet.

Niet alle gedichten van Johanna Geels zijn trouwens even sprookjesachtig:

 

[…]

of dat ik, toen we kamelen in de duinen zagen,

eigenlijk heel nodig moest plassen terwijl jij

me aankeek en vroeg waar denk je aan.

 

’t Is gek, maar in verhalen moeten mensen vrijwel nooit plassen. En daarom is ‘waar denk je aan’ in een verhaal ook nooit een belachelijke vraag. Terwijl in het echte leven… Nou, in dat van mij in ieder geval wel. Daarvoor hoef je echt geen kamelen in de duinen hebben zien lopen.

Toch vind ik de gedichten van Geels het sterkst als ze de verbeelding nog wat meer prikkelen, zoals het titelgedicht ‘Tuig’. Dit gedicht rekent (niet alleen) af met allerlei clichématig taalgebruik, zoals de eerste drie regels al demonstreren:

 

We roeiden met de riemen.

Legden aan in onbekende havens

waar vissers ons Latijn leerden.

 

‘We’ worden vervolgens gekneveld, gefileerd en tot visvrouwen gemaakt. ‘Vertelden / elkaar koudbloedige verhalen en / kaaiden het zeemansgraf.’ Geknecht in een uitzichtloos bestaan, kunnen tenslotte alleen sprookjesachtige oplossingen nog uitkomst bieden. Al bezit blijkbaar niet iedereen in gelijke mate het talent om daar zijn voordeel mee te doen:

 

Wij trokken de haren uit elkaars

kop, vlochten er lange kabels van.

Steeds opnieuw, jarenlang, tot we

kilometers bruin blond glanzende

strengen hadden. Sommigen trokken,

anderen hingen zich daaraan op.

 

Waardoor ‘Tuig’ ook afrekent met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Met zulke poëzie kan iemand alleen uit de voeten als hij de volwassen aandrang om overal antwoorden bij te willen, het hoofd kan bieden. Maar wie (vooruit, dan maar onvolwassen) genoegen neemt met vragen, steeds meer vragen, kan met de soms sprookjesachtige en soms ook ontluisterende en bikkelharde gedichten van Johanna Geels uitstekend uit de voeten.

En laat ik, nu we het toch over sprookjes hebben, eindigen met het begin van een didactische moraal: zullen we leerlingen deze maand eens één keertje niet naar antwoorden vragen bij een poëzietekst? Nee, we laten hen zelf vragen stellen. Vragen, vragen en nog meer vragen. Opdat wij, veel te wijze volwassenen, er zelf ook nog iets van leren.