Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Lies van Gasse: Sylvia. (2010).

Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Isbn 978 90 284 2322 0, €17,90, 92 blz.

 

 

Alexis de Roode: Gratis tijd voor iedereen.

(2010). Amsterdam: Podium.

Isbn 978 90 5759 422 9, €16,00, 50 blz.

 

 

Gedichten om rustig naar te kijken  |

 

 

Verstripte literatuur. Er zijn nog steeds liefhebbers van de schone letteren die het woord met in azijn gedrenkte tong uitspreken. Toch is er met De avonden, getekend door Dick Matena, in feite niks mis. Al was het maar omdat Reves tekst integraal en ongeschonden deel uitmaakt van dat stripverhaal. De enige kritiek die je er dan nog op kan bedenken is dat de schrijver het in 1947 zo nooit bedoeld heeft. Maar ja, wie leest er eigenlijk nog literatuur om de bedoeling van de schrijver te achterhalen? We mogen al blij zijn als we er met een beetje moeite onze eigen bedoeling uit kunnen peuren.

Ik sta zelf tamelijk ruimhartig tegenover het lezen van (goede, dat wel) graphic novels. Ik heb dat, denk ik, een beetje meegekregen van Frits Niessen, mijn erudiete en cultureel bevlogen leraar Nederlands die ons vele decennia geleden sterk adviseerde om ook eens een werk van Marten Toonder te lezen voor de lijst. Ik geloof niet dat ik zijn goede raad destijds heb opgevolgd, maar sedertdien heb ik wel talloze Bommelverhalen verslonden – in de geruststellende wetenschap dat zij voorzien waren van het hoogwaardige keurmerk van Niessen.

En nu zit ik dan in Sylvia te bladeren. Graphic poem staat er het op het omslag. Dichter en beeldend kunstenaar Lies van Gasse smeedt tekeningen en handgeschreven teksten aaneen tot een intrigerend liefdesgedicht, geďnspireerd door Shakespeares Two gentlemen of Verona (en niet in Verona, zoals de bundel abusievelijk vermeldt). Een man verlaat zijn vrouw van wie hij geheel vervreemd is geraakt. Maar hoe ver hij ook vlucht, het lukt hem niet om van haar los te komen. Een (gefantaseerd!) kind vergezelt de man en groeit langzaam maar zeker uit tot de verpersoonlijking van een beklemmende maar onvermijdelijke relatie.

Hoewel het gedicht onmiskenbaar een verhalende strekking heeft, is de taal poëtisch. Ik geef twee fragmenten om dat te illustreren, om te beginnen de eerste regels:

 

We wisten dat niet iedereen

de dagen hand in hand

doorbracht.

 

Wij zouden rusteloos waggelen. Af en toe

de snavel onder een vleugel steken.

 

Maar het landschap was veranderd.

We werden elkaars schaduw.

 

De zon lekte door het

keukenraam. Sylvia

zocht naar vlekken

in het landschap.

 

Tegen het eind beschrijft Sylvia haar eenzaamheid in een brief aan de verdwenen man en bezorgt het gedicht via het vlekkenmotief een mooi cyclisch slot (al krijgt het verhaal daarna nog wel een piepklein staartje). Ze eindigt met

 

Ik zal je niets vragen over wat er gebeurd is. Begrijp alleen

dat ik mij uitbreid als een zwarte vlek.

 

Maar het gaat in Sylvia niet alleen om de woorden – misschien zelfs niet eens in de eerste plaats. De tekeningen van Van Gasse benadrukken de beklemming en de vervreemding zo mogelijk nog meer dan de tekst. Maar het is natuurlijk vooral de unieke combinatie van de twee die van dit graphic poem een kleinood maakt dat zowel literair als qua vormgeving de moeite waard is – en toegankelijk bovendien.

 

Op een heel andere manier aantrekkelijk is Gratis tijd voor iedereen, de derde bundel van Alexis de Roode. Over de sprookjesachtige omslagfoto, waarop een meisje in een bos koekoeksklokken aanbiedt, heeft Ingmar Heytze begin november nog een aardige column geschreven in het Utrechts Nieuwsblad. Die foto is natuurlijk een mooie metafoor voor ‘gratis tijd’. Maar hij illustreert meer. De rust en de balans van het afgebeelde bos laten misschien nog wel meer van de thematiek van de bundel zien, dan het roodharige sprookjesmeisje. De gedichten gaan, zo leert de achterflap, over de seizoenen, over nachten zonder licht en een leven zonder haast. Zo verhaalt ‘Toekomst’ over de eerste vijf minuten van de ochtend, die nog alle mogelijkheden van de hele dag in zich bergen: ‘Een neerstortend vliegtuig. / Een telefoontje. / Een hersenbloeding. / Of niets bijzonders […]’

Het wordt natuurlijk ‘niets bijzonders’. Waarna het gedicht eindigt met de geruststellende gedachte:

 

Dan zijn er vijf minuten voorbij.

Nog 918 minuten tot middernacht.

Niemand is in paniek.

Niemand is voortdurend in blinde paniek.

 

Een ander gedicht, ‘Mechaniek’ (over een horloge), neemt nog eens krachtig stelling tegen de terreur van uur en tijd:

 

Het koele mechaniek heeft niets met ons

van doen. De wijzers draaien stijfjes door.

Hij komt uit onze hand, maar luistert niet

naar onze nood; hij volgt zijn tandenspoor.

 

Waarom gehoorzaamt u dat polsgeval?

Waarom zo zweten, janken, al die last?

 

Steeds dreigt gejakker en gejaag en het veronachtzamen van de menselijk maat, maar toch houden de gedichten van De Roode vast aan de, soms lichtvoetige, opgewektheid uit zijn vorige bundels. Hij bezit hier en daar zelfs de speelsheid die Leo Vroman zo onsterfelijk heeft gemaakt. Kijk bijvoorbeeld eens naar het begin van ‘Voorjaar’.

 

Kom, geliefde,

bind je haar los,

er bloeien meerkoetjes in de singel.

 

‘Ik’ en de geliefde hebben ‘de kou van de winter doorstaan / gescheiden door straten en muren’ en zijn helemaal klaar voor een nieuwe wereld waarin alles mogelijk is (‘Ik hoorde op het journaal / dat de Paus condooms uitdeelt / en de oorlog in het Midden-Oosten is voorbij.’) en zien de toekomst met vertrouwen tegemoet:

 

Hoe zou de zomer ons kunnen deren

als we samen zijn?

 

Ik weet het, je doet geen dichter een plezier met hem een nieuwe Vroman (of Lucebert, of Buddingh’) te noemen. Zo’n compliment is immers even dodelijk als onterecht. Alexis de Roode lijkt natuurlijk eerst en vooral op Alexis de Roode. Die het vertrouwen in de eeuwige liefde volhoudt, zelfs als zij fysiek verdwenen is. Zoals in ‘Echo’s’:

 

De oude geliefde,

waar is ze nu?

(ze nu, ze nu)

 

Weet zij ook dat het nooit voorbij is,

de dingen die voorbij zijn?

 

[…]

 

Weet je dat er indertijd een ster verschoof –

soms kan ik geloven

dat wij daar nog ergens wonen.

 

In absolute duisternis

en bij nul graden Kelvin

 

zie ik Voyager I en Voyager II

voor eeuwig staren

 

naar het ongebroken beeld

van wie wij waren.

 

Nee, dat gaat niet over Leo Vroman en zijn Tineke. Maar een mens knapt er evengoed wel van op.