Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Dennis Gaens: Schering en inslag. (2013)

Amsterdam: Van Gennep

Isbn 978 94 616 4175 5, €16,90, 58 blz.

 

 


 

 

 

Achter elk gedicht schuilt een verhaal  |

 

 

De gedichten in Schering en inslag, de tweede bundel van Dennis Gaens, rusten op een stevig verhalend fundament. De lezer maakt in de eerste afdeling (ik wilde bijna ‘hoofdstuk’ zeggen) kennis met vijf titaantjes: Dani, Luuk, Lotte, Dave en een ik-figuur die als een oliemannetje de zaak draaiende probeert te houden. De vijf zijn vrienden. Dat wil zeggen: het zijn van die wonderlijke individuen die elkaar op enig moment zijn tegengekomen en toen maar bij elkaar zijn gebleven. Zoals zoveel vriendschappen dus. Laat ik proberen een tableau de la troupe te schetsen in de woorden van de dichter: ‘Dani danst omdat ze niets anders kan; […] Haar is nooit iets gevraagd’. Aan het eind van het verhaal vindt de lezer haar terug in een inrichting in de bossen. ‘Ze leert er “het kan wél” / zeggen, maar oefent voorlopig uitsluitend op anderen.’

Dani moet altijd dansen en bewegen. Soms als een waanzinnige in een discotheek. Het prozagedicht ‘Tweede positie’ beschrijft het zo:

 

Ze beweerde dat ze in die rok niet kon dansen, maar een halfuur later en twee martini’s verder stond ze te draaien onder de spiegelbol. De lege ruimte om haar heen groeide tot zo ongeveer iedereen aan de kant stond en iemand vroeg of ik haar niet van de vloer moest trekken. Ik zei dat ik dat niet wist.

 

Dani’s terugval komt op het moment dat haar carrière vorm begint te krijgen:

 

Ze zei ooit dat ballet van alles nog het meest van schermen

weg had. Ik ben nog nooit in een echt gevecht verwikkeld geweest,

maar het had er alle schijn van dat ze van de vloer aan het winnen was.

 

Haar bewegingen werden zo luidruchtig dat ik de rest

van het publiek en zelfs de muziek vergat.

Terwijl ze rondjes draaide, keek ze me steeds weer aan.

 

En toch viel ze.

 

De tweede met wie we kennismaken is Luuk die onmiskenbaar over bepaalde leiderskwaliteiten beschikt. De ik-figuur kijkt in ieder geval – soms letterlijk – tegen hem op. ‘Ik zie hem daar nog, boven aan de glijbaan in kleermakerszit. De rest van ons rond de voet verzameld’.

Luuk is ook de enige die op een zeker moment genoeg moed heeft verzameld om te vertrekken. De anderen blijven lusteloos, nog lustelozer, achter:

 

Het is bekend dat er zo’n zeven redenen waren waarom hij is vertrokken. Niemand kan ze alle zeven noemen, maar iedereen herinnert zich de week waarin elke avond Luuks laatste kon zijn.

 

[…]

 

Pas een week later was hij echt weg.

 

Er was een envelop met mijn naam erop, in zijn hanenpoten stond er dat ik reden nummer zeven was en ‘je weet wel waarom’.

 

De derde is Lotte. Lotte ‘ziet er makkelijk uit, maar in dat hoofd is het een hel.’ Voor Lotte liggen zelfs de meest simpele dingen – een telefoonnummer opschrijven – moeilijker dan je denkt. En ze heeft nog een probleem: ‘ze raakt mensen liever niet aan.’ De ik-figuur raakt verliefd op Lotte, maar een van de andere vrienden waarschuwt hem. ‘Zo’n meisje is niets voor jou.’ We leren haar door de ogen van de ik-figuur misschien wel het beste kennen in het gedicht ‘Ze komt altijd gekleed’.

 

Sommige mensen moeten schade aanrichten.

Het begint met leren grijpen, waarop gooien volgt,

vertaalt zich later in vuisten en in het geval van

Lotte vindt het zijn voltooiing in hoe ze naar je kijkt.

 

Ze zegt dat ze het niet in de hand heeft, dat het iets

lichamelijks is. Elke keer als ze dat woord zegt, stel

ik me haar naakt voor. Zij ziet dat in mijn ogen, bijt

op haar lip en zegt dan: ‘Zover wil je het niet laten komen.’

 

Uiteindelijk vertrekt Lotte met de trein van 8.05 uur naar Parijs, nadat ze eerst haar drie mobieltjes in de Waal heeft gegooid uit angst voor vreemde telefoontjes.

 

De vierde van het vriendengroepje is Dave. Dave is geobsedeerd door reizen, alleen komt het er nooit van. Hij gaat iedere dag naar het station, om de trein van 8.05 uur naar Parijs na te kijken. Op straat kijkt hij naar inparkerende auto’s en manoeuvrerende vrachtwagens. En hij heeft iets met bruggen – maar niet om ze over te steken. De ik-figuur vindt een brug een belofte. Maar:

 

Dave zegt: ‘Een brug is een brug.’

 

Waarna het een paar gedichten verder klinkt:

 

Dave zegt: ‘Die dingen duren.’

 

Daar zit dus niet veel schot in. Aan het eind, als iedereen de scherven van het leven wat bij elkaar lijkt te vegen, eet Dave iedere avond bij zijn ouders en valt daarna voor de televisie in slaap. ‘Ik vroeg hem waarop hij wachtte, hij zei: “een beter begin.”’

Het laatste gedicht waarin Dave optreedt, is maar twee regels lang:

 

Dave sms’t vanaf de brug: ‘Ik ben wat later vertrokken,

maar al wel onderweg.’

 

Het heeft de hoopvolle titel ‘Wat al iets is’ meegekregen. Maar ik weet het niet. De Waalbrug heeft in de literatuur al eerder slachtoffers gemaakt.

En dan is er natuurlijk nog de ik-figuur. De ‘Koekebakker’, om de vergelijking met Nescio’s Titaantjes nu maar definitief door te trekken. Net als bij Nescio komen we niet zo heel veel over hem te weten, behalve dat hij probeert om de vriendengroep wat bij elkaar te houden. Hij is hopeloos verliefd op Lotte en onderneemt als enige pogingen om te achterhalen waar Luuk intussen uithangt. En, alweer net als Koekebakker, hij houdt de herinnering aan hun vriendschap levend. Met verhalen én met foto’s. Zoals in het gedicht ‘Als je maar vaak genoeg schiet, raak je wel iets’: ‘Ik bewaar de mislukte afdrukken: waarop we vage vlekken zijn, waarop alles over- of onderbelicht is, waarop nog niks vastligt. Het zijn foto’s waarvan we slechts kunnen vermoeden wat het precies was dat we onderbraken om ze te maken.’

Pas tegen het einde geeft hij zichzelf een piepklein beetje bloot: ‘Ik ben altijd meer poster dan voorstelling geweest, meer omslag dan binnenwerk. Er zijn manieren om de dood te omzeilen, maar niemand ontkomt aan verhalen en die kennen altijd een wending.’ Om tenslotte de volledige ruimte van een sms te gebruiken voor slechts drie woorden:

 

Ik zie je.

 

Is het een antwoord aan Dave op de Waalbrug? Aan Lotte in Parijs? Dani in haar inrichting? Luuk ergens op aarde? Of is het een bericht voor de betrapte lezer, die dacht dat hij over iemands schouder meekeek, maar nu zelf waargenomen wordt?

Hierboven had ik het over gedichten op een verhalend fundament. Dat verhalende klopt, maar het zijn niettemin gedichten, zowel naar vorm als naar inhoud. Het is poëzie voor romantici en dromers. En wie is dat niet, zolang hij nog wat vage afdrukken (over- of onderbelicht) van zijn jeugd met zich meedraagt?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |