Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

 

Lotte Dodion: Kanonnenvlees. (2016) Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact

Isbn 978 90 254 4703 8, €19,99, 64 blz


 

 

 

De kruisweg van een ongelukkige liefde  |

 

 

 

‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Misschien was Lev Tolstoj de eerste die het zo opschreef, maar we weten het natuurlijk al langer. Het door Homeros beschreven gezinnetje van Odysseus, Penelope en Telemachos werd bijna drieduizend jaar geleden al vakkundig ondergedompeld in ongeluk en ongemak. Want laten we eerlijk zijn, een flinke dosis tegenspoed weet ons, literatuurlezers, aanzienlijk meer te boeien dan het rimpelloze, idyllische geluk van knappe en evenwichtige personages.

Dat geldt niet alleen voor romans, maar zeker ook voor de poëzie, zelfs als een gedicht positief begint, zoals Gorters beroemde liefdesgedicht. De stralende woorden ‘Zie je ik hou van je / ik vin je zoo lief en zoo licht’ vinden na zestien regels onhandig gestotter en gestamel hun doodvonnis in ‘Ik wou het helemaal zeggen – / Maar ik kan het toch niet zeggen.’ Nee, voor liefde en geluk moet je niet bij de schone letteren zijn.

In de debuutbundel van Lotte Dodion is dat (‘gelukkig’) niet anders. Kanonnenvlees heet de bundel en de titel van het openingsgedicht, ‘Schietgebed’, sluit daar mooi op aan. Het heeft maar één regel en die luidt:

 

Ik moet je iets vertellen

 

En dat is toch een openingszin die door iedereen gevreesd wordt die de illusie van een harmonieuze relatie koestert. Het zijn vijf woorden die ook alle kenmerken van een goed gedicht hebben. De lezer voelt zich even uit het lood geslagen vanwege de ongemakkelijke, onheilspellende boodschap. Maar tegelijk roept de tekst ook vragen op. Wat ga je vertellen? Wie zijn ‘ik’ en ‘je’? Volgt er iets veilig anekdotisch of kan de lezer niet om zijn eigen twijfels heen?

De gedichten die dan volgen lichten net genoeg tipjes van de sluier op, om het mysterie in stand te houden. Lees bijvoorbeeld ‘De nieuwe wereld’:

 

we zitten aan tafel

onderhandelen de voorwaarden

van hoe elkaar nog te verdragen

 

we brengen het verleden in kaart

de afmetingen van hoe samen wij waren

 

nu kiezen we kant

verdelen ons land

tot de laatste kamer

 

dit is de nieuwe wereld

grenzen op papier

afstand bewaken

tot we onbekend terrein zijn

 

met mijn laatste blik teken ik

we zijn nu vijanden op rust

 

Wie ‘ik’ en die ander zijn, blijft nog in het ongewisse, maar alles wijst erop dat zij een soort van gewapende vrede tekenen. Mijn vooringenomenheid stuurt de verbeelding in de richting van twee voormalige geliefden, die nu, uit financiële of andere noodzaak, gedwongen zijn hetzelfde huis te delen. Maar zeker is dat allerminst.

Het gedicht schetst een terugval van harmonie en romantiek naar een pragmatisch realisme. Die ‘val’ vertoont het gedicht zelf ook, twee maal maar liefst. Want hoewel zo’n vrij vers niet echt een sonnet mag heten, heeft het wel veertien regels en toont het een chute (‘val’) zowel na de achtste (zoals in een Italiaans sonnet), als na de twaalfde regel (passend bij een Engels of Shakespearesonnet). Voor een liefhebber is zoiets om van te smullen!

Dat de hierboven gesignaleerde gewapende vrede nog een andere invulling kan hebben dan die tussen geliefden, blijkt overigens een paar gedichten verderop. In ‘1 september’ verplaatst de handeling zich naar de eerste schooldag, wanneer ‘ik’ haar nerveuze kind bij de schoolpoort overlevert aan ‘monden die goed gewapend zijn’. ‘Ingerukt // mars’ luiden de onverbiddelijke slotwoorden.

 

Kanonnenvlees eindigt met een cyclus van veertien genummerde gedichten, door Lotte Dodion aangekondigd met een titelpagina waarop slechts een groot kruis staat, als in een overlijdensadvertentie. Daarachter wordt in veertien staties de kruisweg van een ten dode opgeschreven relatie getekend. Die parallel met de lijdensweg van Christus, zoals die in elke Rooms-Katholieke kerk op panelen aan de wand te vinden is, is een vondst. Maar wel een met risico. De dichter legt zich immers vast aan die veertien afbeeldingen, waardoor de tragische-liefdesgedichten wel in dat katholieke keurslijf gedwongen moeten worden. Een paar schoonheidsfoutjes daargelaten lukt dit Dodion wonderwel.

In de eerste statie (in kerken benoemd als ‘Jezus wordt ter dood veroordeeld’) velt de geliefde van ‘ik’ in een oneerlijk proces waarin geen weerwoord mogelijk is zijn (of haar) vonnis: de relatie is ten einde, ‘ik’ staat er verder alleen voor. De tweede statie (‘Jezus neemt het kruis op Zijn schouders’) begint vrij dicht bij de bron:

 

ik heb het gedaan

het kruis opgenomen

ik wilde weten of ik het kon dragen

 

dus ben ik in je spullen beginnen zoeken

ik moest het weten

heb ik de eerste spijker ingeklopt of jij

waar zijn we gestopt met groeien

waar onze wortels omgehakt

 

[…]

 

het kruis is mijn maat niet

we hebben het samen gemaakt

vier handen moeten het dragen

hier zijn de mijne

[…]

 

Als de kerkelijke kruisweg en de dichterlijke zo soepel in elkaar overvloeien, dan word ik als lezer een beetje ongerust. Want dat ‘kruis opnemen’, dat geloof ik nog wel. Maar hoe gaat dat straks, als iemand bereid is het kruis over te nemen, of als een voorbijgangster het bezwete gezicht van ‘ik’ komt afdrogen? Laten we deze twee passages even onder de loep leggen. Het gaat om de vijfde (‘Simon van Cyrene helpt Jezus het kruis te dragen’) en de zesde statie (‘Veronica droogt het aangezicht van Jezus af’).

 

ik trek haar deur achter me dicht buiten

strekt iemand zijn armen naar me uit

ik loop er recht in

 

hij helpt mij dragen

 

het had eender wie kunnen zijn

het had niemand anders kunnen zijn

 

ik blijft even zwaar

ik voel zijn handen niet

 

Even lijkt de dichter hier haar hand te overspelen. Wie staat ‘ik’ hier op te wachten? Is het een maatschappelijk werken? Een oude vriend? God zelf? Het zou allemaal zomaar kunnen, en het voegt hoegenaamd niets toe. Temeer daar deze weldoener in het volgende gedicht alweer voorgoed verdwenen is – net als Simon van Cyrene overigens. In dat volgende gedicht heeft Lotte Dodion het spoor overigens weer krachtig te pakken. Geen overbodige Veronica die haar een handdoek aanreikt, maar ‘ik’ zelf, die in het toilet van een restaurant haar gezicht afspoelt, in de hoop de herinnering aan haar ex zo ook kwijt te raken.

Ik geef nog een laatste voorbeeld, de elfde statie (‘Jezus wordt aan het kruis genageld’).

 

we hebben elkaar ons armen beloofd

ik had graag geloofd dat wij

de eeuwigheid zouden halen

 

in de praktijk

betekent voor altijd

niet tot de dood ons scheidt maar

zolang wij met elkaar kunnen leven

 

Hier komt het gedicht, net als in het vorige voorbeeld, weer knap los van het kerkelijke voorbeeld. Met als gevolg een veel krachtiger beeld. De subtiele betekenisverschuiving van ‘voor altijd’ in de laatste regels getuigt bovendien van inzicht in taal én mens.

 

Tot het verschijnen van Kanonnenvlees kenden wij de Vlaamse Lotte Dodion slechts als succesvol performer en ‘slam poet’. Met deze bundel mag zij zich ook tot de beloften van de reguliere ‘papieren poëzie’ rekenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |