Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 

 

 

Marjoleine de Vos: Uitzicht genoeg.

(2013) Amsterdam: Van Oorschot.

Isbn 978 90 2825 007 9, €14,50, 58 blz.

 

 

 

 

Klassieke smaken in de keuken

van nu  |

 

 

Zodra moderne dichters in de Oudheid gaan shoppen, doe ik altijd even een stapje terug. Bang voor wat ik zal aantreffen. Want wat valt er nog op de Olympus te halen, dat niet al duizend keer eerder gehaald is? Van Hooft tot Holst en van Coster tot Claus, het zijn natuurlijk ook niet de minsten die bij Homeros zijn gaan winkelen.

Alle reden dus om eens achter mijn oor te krabben bij gedichten als ‘Een interview met Nestor’, ‘Aeneas’, ‘Dido’ en ‘Overal vrijers’, terwijl onder de ogenschijnlijk zeer vaderlandse titel ‘Lente in Groningen’ Persefone nog even langskomt. Maar wat kan een mens zich vergissen!

Marjoleine de Vos is in Uitzicht genoeg niet op zoek naar vergezichten, naar ervaringen die de grenzen van tijd en ruimte overschrijden. Nee, ze zoekt het juist heel dichtbij. Zoals ze meteen al duidelijk maakt in het openingsgedicht ‘Ruimtevrees’:

 

Achter weilanden weiden, daar weer achter

dijken, zee en Zweden. Waar zou je heen?

De blik verliest je met zichzelf in ruimte

waar aankomst ver en ver te zoeken is.

Niet voor de woerd die plotseling en onbedaarlijk

groen het zonlicht en je oog in zwemt.

Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid

bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.

Voel warmte op je neus, zie ’t vroege blad

van vlier. Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier.

 

Met zo’n thematiek ga je vanzelf met andere ogen naar alle intertekstuele verwijzingen kijken, of ze nu klassiek zijn of niet. Het lijken ineens vertrouwde en beproefde ingrediënten die smaak geven aan poëzie van het kleine gebaar, zoals we die bijvoorbeeld van Rutger Kopland kennen. De uitgever trekt in een begeleidend schrijver trouwens een lijn naar De Vos’ bekendheid als krantenkok (‘De Vos dicht zoals zij kookt’ – wat volgens mij op zijn minst een twijfelachtig compliment is). Maar toch zit er wat in. In NRC Handelsblad presenteert zij zich als ‘thuiskok’. Niet iemand die een kleine elite van fijnproevers door de wereldkeukens leidt, maar een kok die thuis rustig achter het eigen aanrecht iets bijzonders en persoonlijks maakt. De klassieke motieven en verhalen maken het allemaal net iets smakelijker – of maken, in poëticaler termen, dat de gedichten niet blijven hangen in een te makkelijke alledaagsheid, maar die door hun krachtige metaforiek juist kunnen ontstijgen. Zoals in het al genoemde ‘Lente in Groningen’:

 

Ze moet teruggekomen zijn, Persefone,

van diep verscholen koude koningin

veranderd zijn in meisjeswarme mei.

Onhandig en verliefd spruit oude grond

ineens het teerste groen, wil zoenen,

zoenen, ja! lacht hij, vergeet hoe leeg

hij was en hult zich rijkelijk, om haar,

in geur van koolzaad op zijn klei.

 

Ik kan me voorstellen dat de Groninger klei bij de meeste lezers niet meteen jubelend lyrische gevoelens opwekt. Om dat te bewerkstelligen is dichterlijke arbeid nodig! De personificatie doet hier het belangrijkste deel van het werk: de oude klei wordt, weliswaar onhandig, verliefd, komt tot leven, wil zoenen. Het enige wat ontbreekt is het object van zijn liefde. En daar komt Persefone van pas, als het onmisbare exotische ingrediënt dat de schotel compleet maakt. Het aardige van vreemde kruiden is, dat je zelf mag weten hoe je ze gebruikt. Je kunt ze opdelen, meekoken of apart serveren. En je mag weggooien wat je wilt. Zo komt in het gedicht ‘Nostalgia’ Odysseus na zijn omzwervingen eindelijk thuis. Maar het is de vraag of hij niet beter weg had kunnen blijven. Het huis is ingestort, zijn vrouw hertrouwd met alle vrijers. En als hij zo ongeveer iedereen in huis vermoord heeft, belandt hij in bed ‘met iemand die zichzelf / in een gordijn verweven had.’ Waarna het gedicht eindigt met:

 

Wens dat je terugreis lang mag zijn, wens

mooie morgens, rijke havens. Wie van huis gaat,

komt niet weerom. De deur valt dicht, je stappen

sterven in de straat. Je raapt ze niet meer op.

 

En dat is nog eens andere koek dan het intussen tot cliché verworden ‘Weggaan kun je beschrijven als / een soort van blijven’ van Kopland. Deze vier regels sluiten bovendien naadloos aan bij het motto dat De Vos haar bundel heeft meegegeven: ‘Nee, je keert nooit meer terug naar dezelfde plek. Eerlijk gezegd bestaat die plek niet meer en zelfs de mogelijkheid om ergens terug te keren bestaat niet.’ Twee zinnen uit de wonderlijke en wonderschone roman Over het doppen van bonen van de Poolse schrijver Wiesław Myśliwski.

Het zijn dat motto en dat gedicht die de oude mythen hun plaats wijzen. Zij zijn bij De Vos niet de onloochenbare, al millennia vastliggende bronnen waar ook de moderne poëzie zich nog steeds aan laaft. Eerder zijn het klassieke topoi (bekend veronderstelde gemeenplaatsen), die gevoelens en gedachten in hedendaagse verzen kracht bij zetten – zoals de Groninger klei zonder Persefone toch net wat minder leeft.

Ook de gedichten ‘Aeneas 1 en 2’ trommelen een klassiek topos op. Maar dan wel om de wil van de goden te relativeren (‘De goden zeggen dat ik moet gaan maar / maar laat me niet lachen er zijn geen / goden ze geven geen bevelen’). En om daarna, in het tweede gedicht, in een krachtig poëticaal statement alle macht bij de dichter te leggen.

 

Niet om lang of happily te leven

ever after

zijn wij verzonnen.

Onze dichter wil de lezer plezieren

geluk is te saai voor zijn woorden

vlammen wil hij, Rome, ondergang

geen tafel met alledaagse kinderen

een net afscheid met tranen.

Ik moest gaan en jij ten onder

niemand spoelde meer aan op je kusten

nergens meer werd ik gevonden.

 

Dat ‘jij’ in deze regels de Carthaagse prinses Dido is, mag uit de twee volgende gedichten blijken, die vanuit haar perspectief zijn geschreven. Maar belangrijker is dat hier ‘onze dichter’ wordt opgevoerd. Dat is natuurlijk in de eerste plaats Vergilius, die de omzwervingen van Aeneas heeft beschreven, alsook de liefde die Dido voor de Trojaan opvatte. Maar in een bundel waarin het verleden als voornaamste taak heeft het heden te ondersteunen, komt natuurlijk ook de dichter van nu om de hoek kijken. En dat is dezelfde dichter die het speenkruid bij haar voeten verkiest boven het vergezicht over Zweden. De dichter in ‘Aeneas 2’ zet in haar eigen keuken de nabije omgeving naar haar hand en net als bij een goede thuiskok brengt dat bijzondere producten voort. Waarna het voor de liefhebbers uiteraard niet verboden is om naar klassieke ingrediënten te blijven speuren.