Het leven en de werken - 

                                                           Jan-deJong.nl

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Max de Jong: Heet van de naald en andere gedichten. (2014) Amsterdam: Van Oorschot

Isbn 978 90 282 6057 3, €19,50, 96 blz.

 


 

 

 

'Poëzie - zij het niet rijmend'  |

 

 

 

In januari van dit jaar verscheen dan eindelijk het dagboek dat Max de Jong tussen 1947 en 1951 bijhield. Met de mooi verzorgde maar best wel prijzige (€39,95) uitgave kon de uitgever eindelijk een langverwachte belofte inlossen. Het was immers Geert van Oorschot zelf die dertig jaar geleden het dagboek tot de drie belangrijkste literaire documenten van het midden van de twintigste eeuw rekende – samen met het onvermijdelijke De avonden en met Voskuyls Bij nader inzien, niet toevallig ook een uitgave van Van Oorschot.

Er was evenwel één probleem: Max de Jong had kort voor zijn vroege dood in 1951 aangegeven dat het dagboek niet gepubliceerd mocht worden en zijn zus, zijn enige erfgenaam, respecteerde die laatste wil. Niet altijd met evenveel succes overigens. Niet alleen publiceerde het tijdschrift Tirade (óók Van Oorschot) al in 1968 en 1971 fragmenten, maar in 1990 verscheen er bovendien een illegale druk in een beperkte oplage van nog geen honderd exemplaren. Al deze ontwikkelingen droegen in niet geringe mate bij aan de cultstatus van een boek dat officieel niet eens bestond. Pas nadat de zus van De Jong in 2013 overleed, gaven haar kinderen het boek vrij voor publicatie.

Zo’n cultus kan natuurlijk niet in stand blijven als er helemáál niets van de auteur bekend is. Max de Jong schreef in zijn korte leven zo’n 250 gedichten, waarvan er trouwens maar eentje vóór zijn dood in boekvorm verscheen. Maar wat voor een!

‘Heet van de naald’ is de neerslag van een vergeefse liefde in 91 kwatrijnen, toegankelijk van taal en ontroerend van emotie, maar ook filosofisch en poëticaal, vernieuwend en experimenteel zoals we dat kennen van andere pre-vijftigers als Leo Vroman en Hans Lodeizen. Het gedicht begint zo eenvoudig:

 

Ach hoe kan ik nu ook schrijven

zij is getrouwd met een ander

en heeft kinderen

zoals het moet

 

ik daarentegen zoek vruchteloos

naar het recept

om van twee halve vriendinnen

één hele te maken

 

we zijn elkaar misgelopen

ik heb het verkeerde gedaan

ik was te zwaar geïmponeerd

dan doe je alles fout

 

‘Heet van de naald’ is sterk autobiografisch. Zo zijn die ‘twee halve vriendinnen’ twee zussen (Neel en Constance Wibaut) op wie hij in gelijke mate hopeloos verliefd was. Het vertrek van Neel naar Amerika was de directe aanleiding om dit gedicht in één radeloze nacht op papier te zetten. Toen hij het daarna aan zijn goede vriend, de dichter en journalist Hans van Straten liet lezen, reageerde die tamelijk lauw dat hij het te veel ‘heet van de naald’ vond, waarmee het werk zijn titel kreeg. De vraag is, lijkt me, of je het nu, bijna zeventig jaar na de eerste druk, nog kunt lezen zonder de biografie of het dagboek voortdurend te moeten raadplegen.

 

zij woont ergens anders

haar man is sympathiek

haar kinderen worden groter

dan komt er eentje bij

 

ik reken terug

in welke nacht is het gebeurd

had ik een nachtmerrie

of zat ik gewoon te lezen?

 

ik heb haar adres

en verneem alles omtrent haar

via tussenpersonen

(via tussenpersonen)

 

Langzaam maar zeker krijgt de obsessie vorm, die we natuurlijk al hadden afgemeten aan de lengte van het gedicht: 364 regels. Dat is geen overdaad maar noodzaak, het past bij zo’n obsessie. Probeer maar eens obsessief te zijn in de beperkte omvang van bijvoorbeeld een sonnet. De dwanggedachte aan de onbereikbare doet soms aan een ongelukkige middeleeuwse minnezanger denken en brengt een volgend moment ook ‘’s Nachts rusten meest de dieren’ van Bredero in herinnering, maar dat komt alleen omdat het gevoel van alle tijden is. ‘Heet van de naald’ is dan ook universeel in zijn angst:

 

ik durf de vrije natuur niet in

omdat ik het landschap

alleen en zonder haar

niet zou verdragen

 

En ook de verantwoordelijkheid voor het eigen falen, komt op het bordje van de vertrokken geliefde:

 

rest mij

weinig anders dan

toch maar

door te schrijven

 

in dat handschrift

waar de graphologen

bij de eerste oogopslag

mijn gemis uit halen

 

een schrijverschap waar het

centrum aan ontbreekt

blijft noodzakelijkerwijze

aan de peripherie

 

had ik haar gekregen

dan had ik vermoedelijk

de Nobelprijs

op mijn sloffen gehaald

 

en nu blijft ook proza

wat anders stellig

poëzie was geworden –

zij het niet rijmend

 

Met zo’n verongelijkte klaagzang ontstijgt de dichter zichzelf. Want dit is geen overdrijving door een zeurende mopperpot, het zijn de universele en tegelijk actuele wanhoop en onmacht die een mens in zijn zwakste momenten overvallen. Overigens biedt die laatste opmerking (‘nu blijft proza wat anders poëzie was geworden’) een misschien onbedoeld kijkje in de dichterlijke keuken van Max de Jong. De ‘andere gedichten’ uit de titel gaan in deze bundel aan ‘Heet van de naald’ vooraf. Het zijn veertig weinig opzienbarende, maar wél rijmende teksten, die vooral een nog onvolgroeid dichterschap demonstreren. Niet voor niets had De Jong zijn lier reeds aan de wilgen gehangen, toen ‘ineens’ dit lange gedicht uit zijn pen vloeide. Het lijkt proza, maar ondanks de gesuggereerde bescheidenheid is het dat niet. Vorm en inhoud overstijgen de anekdote.

 

phenomenologisch bekeken

is liefde natuurlijk

een strikt autonome

aangelegenheid

 

en als zodanig

op één lijn te stellen

met de poëzie

 

Dat klinkt hoogdravend, vooral als in de volgende regels ook Ortega y Gasset nog mag figureren. Maar net op het moment dat het gedicht ons dreigt te ontglippen, komt het met een klap terug op aarde als het ons uitlegt hoe die ‘autonome aangelegenheid’ er in het dagelijks leven uitziet:

 

bij zulk een vrouw

heeft kinderen krijgen

zin omdat men er zich

iets van voor kan stellen

 

Zo eenvoudig kan het leven soms zijn. Het bijzondere krijgt zin, omdat je je er iets bij voor kunt stellen. We hebben soms alleen even een dichter nodig om het voor ons onder woorden te brengen, het hogere sublimerend in een alledaagse gedachte. Al laat dit onverlet dat dat ‘hogere’ – in het gedicht komen onder andere Shakespeare en Yeats nog langs – vaak eerder gehinderd wordt door het prozaïsche. De opdringerige buitenwereld levert trouwens wel nog enkele wonderschone observaties op:

 

een kamer heeft vijf wanden

van vijf kanten

begonnen radio’s te spelen

denken verboden

 

en uit het open raam

nog twee en dertig

gooi een atoombom

op Hilversum

 

Max de Jong schreef dit in 1947. Door dit soort waarnemingen is de tekst in de zeventig jaar daarna alleen maar actueler geworden.

Heet van de naald en andere gedichten is in de uitgave uit 2014 (met een helder nawoord van Marsha Keja en een mooie facsimileweergave van het handschrift uit 1947) een boekje dat in geen boekenkast zou mogen ontbreken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |