Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

 

 

Ellen Deckwitz: De steen vreest mij (2011) Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar

Isbn 978 90 388 9414 0,

€14,95, 46 blz.

 

 

 

 

 

De kogel in de ballpointpunt  |

 

 

‘Nee, mijn broer is kunstenaar,’ verontschuldigde de jongen zich op de introductiedagen. Ik zat een beetje onwennig op mijn eerste grasveldje van de universiteitsstad en keek de kring rond. Twaalf jongens en zeven meisjes en allemaal veel zelfverzekerder dan ik. Die hadden stuk voor stuk een heel bewuste keuze gemaakt en nu zaten ze hier. Klaar om met het leven te beginnen. Terwijl ik met de moed der wanhoop en onder steeds minder zachte dwang van mijn ouders dan uiteindelijk maar voor Nederlands had gekozen. Je moest iets. Al bij het voorstelrondje viel ik genadeloos door de mand. Iedereen wist namelijk al vrij nauwkeurig wat hij wilde worden, behalve ik. ‘Iets met taal…’

Alleen Roel reageerde nog eigenaardiger. Toen hij aan de beurt was pakte hij zijn gitaar en begon een liedje te zingen. Zelf geschreven, en dat kon je horen ook. ‘Meestal schrijft hij niet van die commerciële dingen hoor,’ verklaarde de jongen die naast hem zat en zich ontpopte als ‘zijn trotse broer’. Die broer heeft de studie nog een aantal jaren volgehouden, maar van Roel werd na twee, drie maanden niets meer vernomen. Hij had definitief voor het heldenleven van de kunstenaar gekozen. Toch benieuwd hoe het hem vergaan is.

 

‘Deckwitz leeft van haar schrijverschap’ meldt de achterflap van De steen vreest mij moedig. Ellen Deckwitz (1982) leidt dus een heldenleven. En in 2009 won ze het NK Poetry Slam. Dat zijn niet direct wapenfeiten waar ik per definitie van onder de indruk ben. Ik heb niets tegen performende dichters, maar op papier moet het toch ook kloppen.

De steen vreest mij is haar eerste bundel en laat ik er maar meteen voor uitkomen: Deckwitz heeft mij ten volle overtuigd.

 

Als je het aan de eik zou vragen, bloeide ze

het liefst aan de rand van een dodenakker.

Vooral lichamen van zondige kinderen

scheiden een stof af waardoor eiken harder

groeien en vandaag ben ik twaalf.

 

Het begint als een, wellicht wat morbide, maar toch tamelijk eenduidig sprookje over het bloeien van een eik, waarin ik bovendien heel zacht de echo hoor van Vestdijks eik uit Fabels met kleurkrijt (1937). Goede poëzie met een verrassende kijk op de werkelijkheid en een mooie intertekstuele verwijzing. Maar dan: ‘en vandaag ben ik twaalf’. Een kind onder een eik die zich met kinderen voedt! Dat is niet langer sprookjesachtig; daar dreunt een moker. En de lezer roept: ‘Kijk uit!’, wat lezers zelden doen. Dat de dreiging zich in tweede strofe meedogenloos voortzet, lijkt dan alleen nog maar te dienen om de lezer te houden waar hij zit: op het puntje van zijn stoel – geen comfortabele houding om gedichten te lezen.

De beklemmende sfeer die deze gedichten ademen wordt nog versterkt het voortdurend gebrek aan handeling. Het gaat om dingen die moeten of die gedaan zijn, maar er gebeurt nagenoeg niets. Daarmee krijgen de gedichten een soort van interne dynamiek die ook eigen is aan de poëzie zelf: er ligt een tekst maar die doet niets. De lezer zal er zelf het leven in moeten blazen. Maar zelfs dan hebben de woorden van Deckwitz nog een vermaning in petto:

 

Eten, eten roept grootvader. Zijn tong lapt

het bord leeg. Mijn broertje en ik doen mee. Grootvader:

jullie likken wel maar jullie menen het niet.

 

Alleen maar meedoen is blijkbaar niet genoeg. Het moet wel menens zijn. De poëzie is het immers ook. De bundel bevat meer poëticale verwijzingen:

 

Opstaan. En rol die grasmat van je af.

Wat sliertjes ziel in je haren, ik strijk ze

weg gelijk aarde, maak er leeslinten van.

Leg ze in je album, tussen de kliekjes

waarop licht brandt dat nooit oplaait.

 

en ik wrijf een steentje uit je oogkas

En ik wrijf je voeten warm. En ik wrijf

een steentje uit je album

en ik sla je vel dan om.

 

De krachtige herhalingen verraden hier niet alleen de slamdichteres, maar hebben ook hun eigen rechtvaardiging. ‘ik strijk’ en ‘ik wrijf’ en ‘ik wrijf’ en ‘ik wrijf’ en ‘ik sla’ vormt een climax  die wanhopig het leven terug wil geven aan een dode, desnoods met geweld. Maar ook aan een tekst die zonder lezer niet kan leven. Wrijven helpt niet, zou je bijna zeggen. Voor het lezen van poëzie zijn krachtiger middelen vereist.

Heel sterk komen de thema’s leven, dood en poëzie even later ook samen in:

 

Hij neemt me op schoot, vertelt

over onze soort. De Hades in de aderen

die alles schoonwoedt. Het gat tussen

zijn ogen dat zich vol met inkt zuigt

dat zich sluit. Ik kruip tegen hem aan.

Hij knikt, gelooft niet

dat er in mijn ballpoint

ook een kogel zit.

 

In een mooie variant op uitspraken als ‘de pen is scherper dan het zwaard’ krijgt poëzie hier de paradoxale vitaliteit van een moordwapen. De dood en de literatuur zijn trouwens op meer plaatsen aanwezig. Telkens komen ze in de lome overwegingen van de ‘ik’ in nieuwe gedaanten om de hoek kijken.

 

Bomen omsingelen het huis,

Vogels omcirkelen de bomen.

Hier heb je opa’s geweer.

 

Hoeveel verwijzingen kun je in drie regels kwijt? Hier komen kort na elkaar Het plantaardig bewind van Jacques Hamelink én The birds van Alfred Hitchcock langs. Meteen gevolgd door een geweer dat ik hierboven al als ballpoint heb ontmaskerd.

Maar niet alleen de thematiek van Deckwitz blijft verrassen. Ook de taal geeft een hoop te genieten, met prachtige neologismen (‘letselsterfte’, ‘estafetteknoken’) en een hartslag die, wellicht voortgekomen uit het slamcircuit, blijft hameren en dwingt tot lezen en herlezen.