Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


 

Emma Crebolder: Vallen (2012).

Amsterdam: Nieuw Amsterdam.

Isbn 978 90 468 1221 1, €17,50, 60 blz.

 

 

 

 

Dansers rond de zwaartekracht  |

 

 

De bundel Vallen van Emma Crebolder schrééuwt om flauwe woordspelingen. ‘Deze dichterlijke onderneming gaat steeds meer bevallen,’ liet een recensent zich bijvoorbeeld ontvallen. Geen onbegrijpelijke reactie, want in Vallen draait het in ieder gedicht ook om ‘vallen’. Maar het is een bedrieglijke themavastheid, waarmee Crebolder de lezer confronteert. Het echte vallen (in de zin van ‘blootgesteld zijn aan de zwaartekracht’) speelt zich eigenlijk alleen op de linkerpagina’s af. Daar komt bij snel bladeren het woord ‘vallen’ als in een primitieve tekenfilm tot twee keer toe ten val.

Maar rechts staan de gedichten.

 

Bevallig is het meisje met

de strohalm. Als scherm te iel.

 

          De ander met de fret in

          haar armen valt ook op,

 

een roofdier als pop.

Zouden wij de schilder

 

          vragen om een valletje

          van fijnmazig katoen

 

opdat zij tegen vrijmoedige

blikken hun tong uit kunnen doen?

 

Dit is het eerste gedicht uit de bundel. Bevallig. Opvallen. Valletje. Geen woorden die de lezer meteen met de zwaartekracht zal associëren. Maar ze dansen er wel omheen, niet alleen vanwege hun klank, maar vooral omdat ze steeds aan de betekenis ‘vallen’ weten te ontkomen. Zonder de titel van de bundel zouden ze lezer misschien zelfs makkelijk ontgaan. Te makkelijk. Crebolder duikt diep in de lexicologische mogelijkheden van dat ene woord en dat wil ze laten weten ook. Zo beschouwd hebben de 25 gedichten misschien iets provocatiefs. Het zegt veel over haar kwaliteiten, dat ze er mee wegkomt. Nergens zijn gedichten geforceerd op zoek naar de grenzen van de mogelijkheden.

Want los van de ‘valwoorden’ staat hier een bijzonder gedicht dat vragen oproept. En dat is toch het beste dat een gedicht kan doen. Twee meisjes, door een schilder getroffen op een willekeurig moment. Maar wat doen ze daar? En waarom zijn juist zij vereeuwigd?

 

Het rapen van valappels

Het volgen van overvliegende

 

          ganzen. De valling

          van de dijk vol klaproos.

 

Dit is het valluik.

En de chute komt nu.

 

          Het aansnoeren van kogels

          Het wild over de schouder.

 

Het vellen van bomen.

De ongenadige valtijd.

 

Een gedicht over de moeizame verhouding tussen mens en natuur. Vogels vliegen over of worden geschoten. Appels worden geraapt of de hele boom wordt geveld. Waarschijnlijk is dit gedicht op het randje met maar liefst zes valwoorden (‘chute’ en ‘vellen’ tellen ook mee). Maar het is het enige. Alle andere ontkomen met gemak aan een storend gevoel van overdaad. Ik noemde Crebolders gedichten hierboven al bedrieglijk themavast. Het aardige is namelijk dat ze, behalve door de valwoorden én de gelijkvormigheid van elk vijf tweeregelige strofen, volkomen los van elkaar staan. Zo is het volgende geschreven aan de hand van biografische gegevens van de Maastrichtse componist, pianist en schrijver Carl Smulders (1863-1934):

 

Hoor hoe zijn vingers vallen

na het doorsnijden van de pezen.

 

          Luister hoe het timbre wordt omgebogen

          door zijn vinding van de pédale expressive.

 

De valaanslag van zijn pen

baart vier romans in het Frans.

 

          Het vader-zoonconflict echoot

          in de groeven van zijn Cantilène.

 

Je had een vrouw, geen kind. Ik heb

een gedicht voor jou geschreven.

 

Google ‘Carl Smulders’ en het gedicht geeft alle geheimen prijs – wat trouwens erg jammer is. Het is een treurig voorbeeld van wat ik eerder heb aangeduid met de wat boude stelling ‘Kennis is ballast’. Het gedicht, dat oorspronkelijk ‘De valaanslag’ heette, verliest veel te veel van zijn mysterieuze kracht als elke regel met biografisch materiaal geduid is. Zo denk je bij ‘Hoor hoe zijn vingers vallen / na het doorsnijden van de pezen’ niet meteen aan een keurige chirurgische ingreep om het klavier wat soepeler te kunnen bespelen. De tekst verliest er een hoop dramatiek mee die er oorspronkelijk wel degelijk in zat. Alle reden om de navelstreng tussen gedicht en maker iedere keer weer resoluut door te snijden, zodat de lezer er brutaal en ongehinderd zijn eigen tekst van kan maken.

Laten we daarom (om het goed te maken) een andere tekst eens kort in alle vrijheid bekijken:

 

Op de valreep wordt bericht

over een breed cultureel pakket.

 

          Homo sapiens fluitend op

          het pijpbeen van de vale gier.

 

35.000 jaar instrumentaal onderdeel

van een vruchtbaarheidsrite.

 

          Van een tanig levenslied

          tot bolling gekneed, het beeld

 

met daarnaast de fluit, artefacten,

toevallig innig nog bijeen.

 

Als een gedicht uit 2012 gewag maakt van ‘een breed cultureel pakket’, klinkt daar een optimisme in door dat we door de economische en culturele crisis geneigd waren te vergeten. Maar de schijn lijkt ook hier te bedriegen. Want vanaf de tweede strofe gaat het kennelijk over iets heel anders: een archeologische vondst. En die roept in de Nederlandse poëzie meteen het gedicht ‘Ichtyologie’ van Gerrit Achterberg in herinnering. Maar waar Achterberg in de gevonden coelacanth de evolutie doorgetrokken ziet vanaf de kleinste eencelligen, via vogels, zoogdieren en de mens tot aan God toe, zijn de aspiraties van Crebolders vers van een andere orde. Bescheidener? Ach. Als we er (gewoon, omdat ze er staan) toch de drie valwoorden samen met hun context eens bij halen, zien we een bericht dat op de valreep langskomt. Dan voelen we de schurende wrijving tussen het pijpbeen (muziek!) van de vale gier, een minderwaardige aaseter. En tenslotte zijn er de artefacten, toevallig nog innig bijeen.

Ik weet niet hoe het op u overkomt, maar in mijn (vreemde, ik geef het toe) gedachten, ontworstelt het gedicht zich dan toch weer aan zijn archeologische omgeving. Hier gaat het over kunst, muziek, waar zelfs de alles kaalvretende vale gier niet aan ontkomt. Eigenlijk word ik wel een beetje vrolijk als ik de doorgetrokken lijn van Achterberg weer terug zie komen: vanuit het versteende verleden, via het armoedige heden van de gierige vaalheid, naar een toekomst vol innige artefacten.

 

Ik stelde in het begin dat Vallen, met zijn totaal van maar liefst 75 ‘valwoorden’ in 25 gedichten schreeuwt om flauwe woordspelingen – die ik vervolgens hardnekkig heb trachten te vermijden. Maar allez, ik staak mijn verzet. Want in de gedichten uit Vallen valt aanzienlijk meer te beleven, dan bij eerste lezing opvalt. Nergens trapt Crebolder in haar eigen lexicologische val. Het resultaat is een bijzondere bundel die slechts bijval verdient.