Het leven en de werken op Jan-deJong.nl

 

 

 

thuis  | beelden  |  columns  |  recensies  |  essays  |  500 woorden   

 

 

 

Maria Barnas: Jaja de oerknal. (2013)

Utrecht: De Arbeiderspers

Isbn 978 90 295 8733 4, €18,95, 52 blz

 

 


 

 

 

Verloren in een verbijsterd heelal  |

 

 

Het tweede gedicht van Jaja de oerknal van Maria Barnas somt in meer dan honderd regels op ‘Waar men bang voor is’. ‘Baden, mijten, jeuk, zuurheid, alarmsystemen, open plekken’ luidt de eerste regel, ‘droogte, bossen, scheermessen, jaloezie, God, goden, lintwormen’ de laatste. Misschien is de vorm niet zo heel erg origineel (onder anderen bij K. Schippers en Kees ’t Hart komen we ook van die lange opsommingen tegen), toch doet hij wel degelijk zijn werk. Voor de lezer is het een festival van herkenning, verwondering en ook hilariteit. Wellicht zullen sommigen de angst voor lepra, vastgebonden zijn of rectale aandoeningen wel herkennen, hun schouders ophalen over angst voor muizen, paddenstoelen en de maan en moeten lachen om die voor ruitenwissers, tafelkleden of de paus. Maar we weten allemaal dat er vreemde angsten bestaan. En er zijn er ongetwijfeld nog veel meer dan de vele honderden uit dit gedicht. Het gaat dus niet zomaar over angst, het gaat over ieders angst. Wat eigenlijk al aangekondigd stond in het woord ‘men’ uit de titel.

 

Lijkt er na ‘Waar men bang voor is’ geen ontsnappen meer aan, toch beschrijft Barnas in de rest van de bundel eerder de kleine individuele angsten, dan dat ze voor het grote gevoel gaat. Zoals in ‘Pistolet’:

 

Ze vertelde mij toen wij nog vrienden waren

dat ze moeite heeft met lange broodjes.

 

Als je er een grote hap uit neemt

spert het broodje de bek open.

 

Ze moet precies om zeven uur eten

anders raakt haar lichaam in de war.

 

Ze legde me uit wat bioritme is.

Ik zag een zee in haar deinen

 

die haar op een dag verzwelgen zou.

Reve vindt ze een slechte schrijver.

 

‘Mensen die niet van eten houden

zijn slechte mensen en slechte mensen

 

kunnen geen goede schrijver zijn’ herhaal ik

mocht ik haar tegenkomen op straat.

 

Ik durf niet meer bij haar langs te gaan

uit angst dat ik alles moet eten.

 

Het gedicht toont niet alleen aan hoe complex angstgevoelens zijn, het schildert ze ook nog eens af als besmettelijk. Wat begint met ‘moeite met lange broodjes’ ontwikkelt zich razendsnel tot een dwangmatige angst om niet op tijd te kunnen eten uit vrees voor verstoring van heel het lichaamsritme. De dichter onderkent dit uitvergroten (‘Ik zag een zee in haar deinen // die haar op een dag verzwelgen zou’), maar ontkomt zelf ook niet aan de angst. Een angst die zijn oorsprong vindt in die van de ander. Het gaat er kennelijk allemaal nogal zwaar aan toe in Jaja de oerknal. Daar lijkt de eenvoudige en soms zelfs ronduit lichte taal toch wat mee in contrast te staan. Maar het is juist die wrijving die veel van deze gedichten zo bijzonder maakt. Het openings- (en titel-)gedicht. geeft hier al een voorproefje van.

 

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

 

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.

Of zijn het woorden die zich inktzwart

op de takken verdringen. Het is een vorm

 

van paniek die opwelt in mij en als opvliegende

zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat

de vleugels uit. Wij klapwieken en juichen schril.

 

Het gaat hier natuurlijk niet (alleen) om de oerknal waarmee miljarden jaren geleden de geschiedenis begon. Het is ook de manier waarop angst uit schijnbaar niets ontstaat. En ach, misschien zijn het alleen maar woorden. Misschien wordt er aan het slot daarom zo opgelucht gejuicht? Want als het een zwerm van woorden is, is de angst misschien ook te bezweren. Je kunt je een slechtere reden voorstellen om dichter te worden. Zo ziet in ‘Het denken en het meisje’ een zeer onrustige dichter in de trein een meisje, wellicht een studente geneeskunde, tegenover zich zitten. ‘Het meisje klemt een boek // dat doorsneden van de hersenen toont op schoot. / Ze omcirkelt kwabben en ventrikels en ontleedt / dat ik aan haar kan denken en denken.’

De dichter kan nog wel wat leren van deze studente. Die analyseert de hersenen en stelt daarmee de dichter in staat om niet alleen ‘aan haar’ te denken, maar ook om überhaupt te denken. En het is dat denken dat macht geeft over de taal.

 

Is dichterschap dan een oplossing? Dat is nog maar zeer de vraag. Het gedicht ‘Gesloten hoofd’ is aan Ingrid Jonker opgedragen, de Zuid-Afrikaanse dichteres die een eind aan haar leven maakte door de zee in te lopen. En in dat gedicht komt onder andere ook ‘het volle hoofd van Sylvia / in de oven’ ter sprake, wat uiteraard verwijst naar de zelfmoord van een andere dichteres, Sylvia Plath. In dit gedicht lezen we:

 

[…]

Dit is een huis om met borden te gaan smijten.

 

Ook als je iemand bent die niet met borden

smijt maar liever verlangen slingert naar een hoofd

of woorden laat vallen in een hart.

 

Een voor een als munten in zwaar water.

Ze klinken. Plonzen. Onttrekken zich aan tijd

als jij. Met gedichten en gedachten

 

en voornemens om ergens anders groot te zijn.

[…]

 

Veel krachtiger kun je de wanhoop van een dichter niet beschrijven. Maar toch blijven de gedichten in Jaja de oerknal zich aan de poëzie vastklampen. Want poëzie moet en zal de bevestiging van het leven zijn, zelfs als hij dat niet is, zoals in de bekende regel van Vasalis ‘ik droomde dat ik langzaam leefde’. Die wordt in de bundel omgebogen tot ‘ik droomde dat ik liever leefde’, want dát had Vasalis willen schijven, bekent ze in een droom aan de dichter.

Hoe weinig indruk de poëzie maakt, blijkt ook uit het gedicht met de doorgestreepte titel ‘Verschrikkelijk’. Het gedicht introduceert juffrouw Mol uit Lochem, van wie de dichter leerde schrijven. En die dus zonder dat ze het wist, aan de basis van een dichterschap stond. Dankzij juffrouw Mol kon de dichter ‘de hele wereld schrijven’. Maar als ze haar oude lerares vanuit Amsterdam een brief stuurt, krijgt ze geen antwoord. ‘Misschien // had ik verschrikkelijk niet moeten doorstrepen.’

Ook de oerknal uit de titel komt enigszins omfloerst nog een keer langs in ‘Vatnajökull’ over een ervaring op IJsland. Het eindigt met de fraaie regels

 

Het is wit in mijn hoofd. Kan iemand me details geven?

Ik sta in het midden van een verbijsterd heelal.

 

Niet voor niets siert dit citaat ook het achterplat. Want hiermee komt de angst voor de leegte en voor het ontoereikende van de taal (en de poëzie!) in zijn allerpuurste vorm terug in een meedogenloos Nooit meer slapen-decor. Niet vreemd overigens in een bundel, waarin we in de opsomming ‘Waar men bang voor is’ ook woorden tegenkomen als boeken, poëzie, denken en symboliek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.Jan-deJong.nl  |