Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 


Essays over letteren... 

 

►  Louis Paul Boon

  Brian Boyd: On the Origin of Stories

  Brian Boyd: Why Lyrics Last

►  G.A. Bredero

►  Een dagje naar Oostmalle

►  Hugo Claus

►        Oog om oog

►        Twee keer Claus 

►  Esther Jansma

►  Liefdesliedjes

►  P. van Limburg Brouwer

►  De literaire kring

►  Cees Nooteboom

►  Nop Maas' Reve-biografie (I)

►  Nop Maas' Reve-biografie (II)

►  Nop Maas' Reve-biografie (III)

►  Leo Vroman

 

...en meer

 

►  Frank Zappa: Ship arriving too late to

      save a drowning witch

►  PFM: Storia di un minuto

►  Revolver vs. Pet Sounds


Over het niet lezen van literatuur  |

 

Er staart mij al maanden een intrigerende titel uit mijn boekenkast aan. De titel behoort aan een van die boeken die, ooit gekocht, daar in die kast zijn beland en verder nooit meer beroerd. En soms gaat zo’n boek dan na verloop van tijd (jaren, decennia) met zijn titel staan staren.

Het bordeel van Ika Loch. Nou, staart dat, of niet? Het is de titel van een bloemlezing met grotesken van Paul van Ostaijen (1896-1926) in 1996 samengesteld door Tom Lanoye. En hoewel ik veel aan Van Ostaijen te danken heb, blijft dit boek daar voorlopig maar staan. De titel is te mooi, te intrigerend om ontmanteld te worden. Ik weet dat ‘Het bordeel van Ika Loch’ een van de verhalen uit die bloemlezing is, en dat ik met name dat verhaal bijzonder graag zou willen lezen.

Maar er loert gevaar. Wat als het verhaal niet zo mooi is als de titel? Natuurlijk, Van Ostaijen wist wat schrijven was, maar deze ene titel is van zo’n overweldigende schoonheid dat het bijbehorende verhaal welhaast tegen moet vallen. Omdat ik nogal eens in kringen van geletterden verkeer, kom ik veel mensen tegen die het verhaal kennen en het mij van harte aanbevelen. Het helpt mij niet over mijn schroom heen. ‘Kom op!’ roepen mijn geletterde vrienden. ‘Wees een grote vent en lees nou gewoon dat verhaal even. Dan hoor je er weer helemaal bij.’

En ineens moet ik aan een ander verhaal van Van Ostaijen denken.

Kareltje van vijf gaat met zijn moeder, zijn tante en zijn kleine zusje (nog in de kinderwagen) wandelen. En onderweg komen ze een ballonnenverkoper tegen. Moeder koopt een ballon voor het zusje en de ballonnenman vraagt: ‘Wil jij ook een ballon, Kareltje?’

Maar voordat Kareltje gretig ‘Ja!’ kan roepen, komt tante tussenbeide. Zij ziet namelijk de bui al hangen: moeder heeft de ballon voor het zusje betaald, dus nu zal zij haar beurs moeten trekken. Wat zij geenszins van plan is.

‘Nee,’ brengt tante kordaat in. ‘Kareltje hoeft geen ballon. Hij is daar immers al veel te groot voor. Hè Kareltje?’

Tranen schieten het ventje in de ogen. Natuurlijk wil hij graag een ballon. Maar de actie van die zuinige tante heeft hem dat nu onmogelijk gemaakt. Zeggen dat hij wel een ballon wil, staat nu immers gelijk aan zeggen dat hij nog een klein peutertje is. En dat wil hij ook niet. Vijfjarige Kareltjes willen immers graag groot zijn.

Hierna vervolgt het gezelschap zijn weg: Kareltje, moeder, tante, zusje en één ballon.

Op zoek naar de titel van dit verhaal kom ik nog zo een en ander van Paul van Ostaijen tegen. Onder andere een ooit verkeerd gecatalogiseerd tweede exemplaar van Het bordeel van Ika Loch (liefhebbers? Het is maar een Ooievaarspocket). Het verhaal van Kareltje heet ‘Boerebedrog en realiteitszin’ en er volgt een moraal op, waarin de auteur dichters aanspoort, om toch vooral te schrijven wat ze willen schrijven. En zich niet te laten leiden door goede kritieken. (‘Ga zo door!’)

Ik behoud me het recht voor om het verhaal te zien als hart onder de riem voor lezers. Om toch vooral niet te lezen wat ze niet willen lezen. Ook al hebben ze het in huis. Ook al zeggen de geletterden iets anders.

Gewoon om het mysterie niet te schenden.