Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


De tragiek van een onbeschreven leven [2]  |

 

Het tweede deel van Nop Maas’ biografie over Gerard Reve is uit. Zijn Kroniek van een schuldig leven kreeg deze keer als ondertitel De ‘rampjaren’ 1962-1975 mee. En we komen ook deze keer weer een hoop belangwekkends over de volksschrijver te weten.

Nee, ik ga het hier niet hebben over die mislukte moordpoging waar de kranten zo royaal mee uitpakten. Nou vooruit, even dan. Want hoe vaak komt het nou voor dat een trivium uit een literaire biografie de voorpagina van een serieuze krant als NRC Handelsblad haalt? Dat bedoel ik.

Het gebeurde in het voorjaar van 1974. De oude Van het Reve lag al sinds november 1972 dood te gaan. En dat beviel zijn zoon, de bekende schrijver Gerard, maar allerminst. Het was geen menselijke droefenis die hem ertoe bracht zijn dementerende vader een forse dosis peppillen toe te dienen, in de hoop dat diens hart het daarbij zou begeven. Nee, het was woede. Woede op de oude Vanter die ondanks een lang aanhoudend ziekbed alsmaar weigerde zich aan de dood over te geven. Waardoor er geen einde kwam aan de morele druk op de zoon om regelmatig ziekenbezoek af te leggen. En daarom moest er in de ogen van de schrijver ingegrepen worden. ‘Ik dacht als je nog één volgende keer niet doodgaat, dan sla ik je hersens in,’ citeert biograaf Nop Maas Reves bekentenis uit 1985 aan psychiater Agema.

Natuurlijk begrijp ik dat een biograaf zo’n markant gegeven opneemt in de levensbeschrijving van zijn onderwerp. Net zo goed als ik snap dat kranten deze gebeurtenis (die overigens slechts anderhalve bladzijde beslaat van de ruim achthonderd) eruit pikken om hun voorpagina’s mee op te sieren. Maar ik zit me sinds die eerste krantenberichten intussen wel suf te piekeren op welke wijze deze kennis een bijdrage levert aan mijn hoogstpersoonlijke lezing van bijvoorbeeld De taal der liefde. Nop Maas herinnert ons aan reactie van Karel van het Reve, de door mij wellicht nog meer bewonderde oudere broer van Gerard. Onder het pseudoniem Henk Broekhuis schreef Karel in een column in de NRC dat hij de beschrijvingen van tuchtiging en marteling in De taal der liefde zo zorgvuldig mogelijk had proberen te vermijden. Hij had zich, net als ik, bij het lezen beperkt tot de brieven aan Carmiggelt.

 

Op zondag 2 mei jl sprak Wim Brands in het televisieprogramma Boeken bijna drie kwartier met Nop Maas. En toen deed Maas een voor een biograaf nogal opmerkelijke uitspraak. Natuurlijk leek het hem op economische gronden een goede zaak als veel mensen zijn Reve-biografie lazen, zo beweerde hij. Maar je leert de schrijver Gerard Reve toch vooral kennen door diens eigen werken te lezen. Ik kon het op dat moment niet méér met hem eens zijn. Een paar bladzijden uit Tien vrolijke verhalen of Een circusjongen zijn immers zo veel meer Reve dan drie kloeke delen van Maas! En dat zo’n biograaf dat dan gewoon toegeeft! Dat nam mij zeer voor hem in.

Ik ken mensen, onder wie mijn collega proximus, die het eerste deel van Kroniek van een schuldig leven van kaft tot kaft hebben uitgelezen. Soms ontroerd, dan weer in schaterlachen uitbarstend. Maar steeds geboeid door het onderwerp en de vertelkunst van de biograaf. Want het is waar: Nop Maas kán schrijven. Maar toch zegt het ook iets over de vasthoudendheid van dergelijke lezers. Persoonlijk heb ik dat niet zo, die zelfdiscipline. Mijn bescheiden bibliotheek bevat al gauw een paar honderd ongelezen, of in ieder geval slechts gedeeltelijk gelezen meesterwerken. Dan koop ik zo’n boek en begin er vol goede moed aan. Maar ruimschoots vóór bladzijde 100 haak ik af. De redenen hiervoor kunnen zeer uiteenlopend zijn. Ik zou graag beweren dat het altijd aan die boeken ligt, maar dat is niet zo. Er komt gewoon heel vaak iets tussen. Een ander boek, bijvoorbeeld. Slechts een enkele keer ligt het wel aan het werk in kwestie. Dan hindert de pedanterie van de schrijver mij, zoals bij Connie Palmen. Of de volstrekte irrelevantie van het onderwerp, zoals bij Adriaan van Dis. Of de bespottelijke wijdlopigheid van de auteur, zoals bij J.J. Voskuil. En soms hinderen mij de nauwe banden met de werkelijkheid. Want als ik wil weten hoe de wereld in elkaar steekt, kijk ik wel naar buiten, of in de krant. Van literatuur vraag ik slechts dat die mij binnenleidt in nieuwe, onbekende werelden. Dat die mij grenzen laat overschrijden die er helemaal niet zijn.

Een goede vriend van mij heeft alle 186 delen Voskuil met bijzonder genoegen doorgeworsteld. En daarvoor verdient hij mijn eeuwige en onbegrensde bewondering. Maar aan mij is het niet besteed.

 

De biografie van Nop Maas lijdt een beetje aan hetzelfde euvel. Hij is goed geschreven, maar het is te veel. Laat ik met twee betrekkelijk willekeurige voorbeelden aantonen wat ik bedoel.

Op bladzijde 561 beschrijft Maas onder het kopje ‘Geleerde Broer’ (hetgeen om hierboven gemelde reden mijn nieuwsgierigheid opwekte) de verhouding van Gerard tot Karel in de jaren rond 1970. De lezer wordt hier gewaar hoe Gerard zijn broer prijst om Het geloof der kameraden. Hij vindt zelfs dat dat boek in het Duits vertaald moet worden, omdat het van wereldklasse is. Ook weet Gerard waarom Karel relatief slecht verkoopt:

 

Met een minder studentikoos omslag zouden er meer dan 3000 exemplaren verkocht zijn. Hij verbond er meteen enige kritiek aan op Karels publicistische werkzaamheid: ‘Mijn broer is bijna net zo begaaphd als ik, maar hij zit opgesloten in de grapjasserijtradietsie & het amusies intellectualisme zoals van Poll, Hillenius, Nuys.’ Geen hond kocht volgens hem boeken met titels als Met twee potten pindakaas naar Moskou en Marius wil niet in Joegoslavië wonen. (Maas, blz. 562)

 

Persoonlijk zou ik als biograaf na aldus verwoorde kritiek ook de loftuitingen maar met een korreltje zout nemen. Maar dat doet Maas niet. Daar heeft hij, geheel in de middeleeuwse traditie van het genre, een paar autoriteiten voor nodig. Die zich dan ook prompt aandienen in de persoon van de erudiete hoofdredacteur van de Haagse post, W.L. Brugsma en van meester-interviewer Ischa Meijer. Brugsma laat Gerard weten dat Karel voor het kerstnummer van 1970 een stuk over de onverdraagzaamheid van het christendom zal schrijven en hij vraagt Gerard om een ‘tegenstuk’, een vraag die Gerard niet zal honoreren. En Meijer interviewt Karel voor Het parool, waarin deze beweert dat alle Reves erg zuinig zijn aangelegd. Hierop reageren Willem van Albeda en Henk van Manen (‘Teigetje’ en ‘Woelrat’) met een ingezonden brief die het tegendeel moet illustreren. De toon van de brief is helemaal Reve zelf, maar Maas laat deze conclusie geheel aan de oplettende lezer. Mijn goede vriend, de Voskuil-lezer, zal zoiets plezier doen. Kroniek van een schuldig leven leest niet alleen als een roman, het is een roman, zal hij zeggen. Compleet met open plekken voor intelligente lezers. En ook mijn noest voortlezende collega zal met genoegen vaststellen dat al zijn werk beloond wordt met een beetje ruimte voor eigen ontdekkingen.

Maar ik, eenvoudige consument van leesbare boeken, vraag mij steeds maar af wat deze (niet vermelde!) kennis bijdraagt aan mijn lezing van De taal der liefde. Het even onthullende als onthutsende antwoord moet luiden: helemaal niks. En dat wordt natuurlijk niet beter als Maas in ‘Geleerde Broer’ ook Hanny Michaelis in stelling brengt. Volgens haar leed Karel in die dagen ‘aan het pijnlijke misverstand […] zijn broer nu overvleugeld te hebben. Volgens haar had Karel levenslang Gerard zijn literaire roem misgund, […]’.

Ik vind dat een nogal boude bewering van Hanny. Het was de tijd van Het geloof der kameraden en van de ‘slechte titels’ Met twee potten pindakaas naar Moskou en Marius wil niet in Joegoslavië wonen. Uren met Henk Broekhuis en Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes gingen volgen. In diezelfde periode kon Gerard bogen op uitgaven als Vier pleidooien, De taal der liefde, Lieve jongens, Het lieve leven en Ik had hem lief. Als ik Reve was geweest, had ik met liefde honderd van die titels ingeruild voor één pot pindakaas.

En wat de opmerking van Hanny Michaelis betreft: hoezo ‘pijnlijk misverstand’? Is het misschien ooit in dat dichtershoofd opgekomen dat – zeker op dat moment – Karel Gerard ruimschoots overvleugelde? In ieder geval draagt haar kwalificatie op geen enkele wijze iets bij aan mij waardering voor De taal der liefde. En dat is maar goed ook, want mijn oordeel was al niet onverdeeld positief. Het enige dat in bovenstaande kwestie enig inzicht in Reves literaire activiteiten biedt, is de ingezonden brief naar Het parool, maar juist op dat punt levert Maas geen enkele inspanning om de werkelijke auteur te ontmaskeren. Reve dus.

 

Maar goed, ik heb u nog een tweede voorbeeld beloofd. Dat komt uit, schrik niet, de illustraties. Ik weet niet hoe dat bij u is, maar ik blader bij iedere nieuwe biografie altijd eerst even door naar de plaatjes. Daar zitten soms regelrechte cadeautjes tussen – de prachtige naaktfoto’s van een beeldschone dansende Darja Collins in de Slauerhoff-biografie van Wim Hazeu bijvoorbeeld, of de tekeningetjes die Carel Vosmaer maakte van Multatuli en Mimi in de biografie van Dik van der Meulen.

Ook in Kroniek van een schuldig leven treffen we een paar juweeltjes aan. Reve als coach van een voetbalteam, bijvoorbeeld. Onder de voetballers herkennen we Nico Scheepmaker en Jan Donkers, dus het zal wel een feestje van een of andere uitgeverij geweest zijn, maar toch. Reve kon zichzelf nog zo vaak ‘volksschrijver’ noemen, voetbal en Reve gaan niet samen. Verder vinden we onder meer foto’s van Reve met Yoka Beretti, H. Gomperts, Johnny van Doorn, Geert van Oorschot, Marga Klompé (dé kus!), de geit van Germaine Chastan, Simon Carmiggelt, Antoine Bodar, W.L. Brugsma, Rob Touber, Jan de Hartog. En natuurlijk met broer, vader, geliefden en huizen, veel huizen.

Maar ik wil één plaatje in het bijzonder onder uw aandacht brengen. Hierop staan Gerard Reve en Simon Vinkenoog, bij leven niet bepaald vrienden. ze staan op een podium in Leeuwarden. (Ga nooit naar Leeuwarden. En als u toch naar Leeuwarden gaat, vermijdt dan de plaatselijke podia!) Het is 7 oktober 1967 en er heeft een dichtersfestival plaatsgevonden, zo leert het onderschrift. Op de foto verkoopt Reve Vinkenoog een rotschop. Vinkenoog lijkt het niet te kunnen bevatten. Wat gebeurt hier? Wie is die man? Waar komt die pijn in mijn rechterbeen ineens vandaan? Heeft er iemand een vuurtje voor me? Zo’n blik.

Omdat, zoals Confucius al mompelde, één plaatje meer zegt dan duizend woorden, heb ik er een middag vrolijk op los gemijmerd, alvorens de bijbehorende tekst te lezen. Maar uit die paragraaf bleek dat ik er niet ver naast zat: de basis van het conflict bestond uit de onverenigbaarheid van karakters tussen drinkers en rokers in het algemeen en dezulken die zoiets mateloos doen in het bijzonder. Aardig is dan weer dat broer Karel Gerard vanuit Moskou in een telegram feliciteerde met het voorval: ‘Gelukgewenst met overwinning op deegsliert.’

 

Ik meen dat het Wim Kan was die over historicus Loe de Jong ooit opmerkte dat als hij vroegtijdig mocht komen te overlijden de hele Tweede Wereldoorlog voor niks geweest was. Zo’n gevoel bekroop mij ook bij het lezen van dit tweede deel van Kroniek van een schuldig leven. Ik ging er tot voor kort vanuit dat alle drie de delen al klaar lagen bij de uitgever en dat Wouter van Oorschot om economische redenen had bedacht dat tussen de uitgaven de lezers een paar maanden rust verdienden. Maar in het gesprek met Wim Brands onthulde Nop Maas dat deel 3 wel eens tot in het voorjaar van 2011 op zich zou kunnen laten wachten. Maar dan is het dus nog niet af, schrok ik. In dat geval hoop ik dat Maas voorlopig niets overkomt. Anders zou dat hele leven van Reve weleens voor niets geweest kunnen zijn.

 

Nop Maas: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. 2: De 'rampjaren' 1962-1975

G.A. van Oorschot, Amsterdam (2010). 854 blz.