Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


De tragiek van een onbeschreven leven [1]  |

 

Voor een goede biografie kun je me midden in de nacht wakker maken. Politici, ontdekkingsreizigers, uitvinders en hun wederwaardigheden mogen zich allemaal in mijn meer dan gemiddelde belangstelling verheugen. Mits goed opgeschreven natuurlijk. Uit beroepsdeformatieve overwegingen gaat mijn allergrootste belangstelling evenwel uit naar beschreven schrijverslevens. En daaraan bestaat in deze depressieve tijden gelukkig geen gebrek. Van Maerlant tot Joti T’Hooft, van Tollens tot Tolkien, van Hemingway tot Truitje Bosboom-Toussaint, het zijn vrienden (of in ieder geval goede kennissen) geworden sinds ik hun biografieën heb gelezen.

Toch bestaat er wel een zekere hiërarchie in het genre. Sommige zijn echt heel goed. Als ik alles wil weten over de diepere zielenroerselen van Gerrit Achterberg ten tijde van de tragische uren in Utrecht, waarbij zijn hospita het leven liet, dan neem ik de uitmuntende biografie van Wim Hazeu uit 1988 ter hand. In ruim 700 bladzijden beschrijft Hazeu Achterbergs leven en weet bovendien op cruciale plekken een helder verband te leggen tussen zekere biografische feiten en de gedichten uit diezelfde tijd. Goed geschreven en ter zake. Ik weet niet helemaal zeker of het uitsluitend aan Hazeu heeft gelegen, maar zijn Gerrit Achterberg, een biografie geldt voor mij nog steeds als het onbetwiste kroonjuweel onder de biografieën. Maar het kan natuurlijk ook aan Achterberg zelf liggen, die, wellicht onbewust, zo welwillend is geweest om zijn leven zodanig in te richten, dat Hazeu er moeilijk een slecht boek over had kunnen schrijven.

Maar goed, zo zijn ze helaas niet allemaal. Vooral de laatste decennia verschijnt er nogal wat al te uitbundig kaf onder het koren. De grootste vergissing die met name wetenschappelijk geschoolde biografen begaan, is hun malle hang naar volledigheid. Omdat zij het selecteren van feiten beschouwen als inferieur journalistiek gedoe, zien zij zich gedwongen om elke aangetroffen onbenulligheid in hun boeken op te nemen. En dat leidt weer tot pretentieus uitdijende volumes, waarmee de lezer zich gedwongen ziet het werk van de biograaf nog eens dunnetjes over doen en dan van armoe zelf maar te gaan selecteren wat van belang is wat niet.

De voorbeelden liegen er niet om: Van der Vegt over A. Roland Holst (735 bladzijden), Bastet over Couperus (875), Van der Meulen over Multatuli (912), Fontijn over Van Eeden (twee delen, 1265), Hansen over Ter Braak (twee delen, 1283). Daar steekt Van Gelder over Carmiggelt (379) wel erg gunstig bij af, maar ja, die behoort dan ook tot de lagere kaste van het journaille.

En nu ligt Kroniek van een schuldig leven voor me, het eerste deel van Nop Maas’ biografie over Gerard Reve. Het boek beslaat 730 bladzijden en vormt de openingszet van een drieluik. In totaal hebben wij straks allemaal ruim 2200 bladzijden levensbeschrijving van Reve op de plank staan. En dan weten we ongetwijfeld weer heel wat meer dan we nu weten.

Maar of we dat ook allemaal moeten weten? Niet de minsten hebben zo links en rechts het belang van al die levenszaken ernstig gerelativeerd. Zo schreef Hugo Claus ooit over zijn eigen biografie:

 

Ik ben geboren te Brugge op 5 april 1929 en voor de rest schrijf ik boeken, toneelstukken, regisseer ik toneel en films. Wat u daaruit distilleren wilt dat, vind ik, moet u zelf bepalen. Schrijf maar wat, fouten in dergelijke materie hebben niet het minste belang.

 

En daar heeft hij wel een punt. Een schrijver wordt geboren en schrijft boeken. Misschien dat Piet Piryns daar over een paar jaar na diepgaand onderzoek nog aan toe kan voegen dat de auteur op 19 maart 2008 is overleden, maar dan is toch echt alles wel gezegd, nietwaar? Bij een zichzelf haast chronisch mythologiserende figuur als Hugo Claus kunnen de werkelijke feiten de ongelukkige koper slechts een desillusie opleveren. En dat geldt waarschijnlijk nog veel meer voor een auteur die zijn eigen leven misschien nog wel ernstiger fictionaliseerde. Reve dus.

Als we de schrijver Gerard Reve willen leren kennen, dan moeten wij toch vooral de romans en verhalen en brieven lezen. Allereerst natuurlijk die hoogtepunten uit het begin: De avonden, Werther Nieland en De ondergang van de familie Boslowits. Om vervolgens, of wij willen of niet, getuige te zijn van ’s mans vier decennia beslaande artistieke neergang. Waaróm hij al die boeken heeft geschreven is, literair-historisch gesproken, van zeer ondergeschikt belang. Die boeken zijn er en daar gaat het toch maar om. En hoewel doorgewinterde revianen en anderen bij wier kunstoordeel ik mij niet zonder slag of stoot neer wil leggen, het wellicht zeer oneens zullen zijn met mijn beknopte samenvatting van Reves schrijfkwaliteiten, zullen ook zij ongetwijfeld erkennen dat een biografie die werken niet beter en nauwelijks slechter maakt.

 

Een voorbeeldje.

In 1940 verlaat Reve op 17-jarige leeftijd onverrichter zake het Amsterdamse Vossiusgymnasium. Behalve dat hij in die tijd een paar aardige stukjes heeft geschreven die (uitsluitend achteraf) een doorkijkje bieden naar zijn latere schrijverscarrière, is die mislukte schooltijd niet van meer belang dan die van laten we zeggen Cees Nooteboom. Misschien kun je van relatief veel schrijvers beweren dat ze mislukt zijn op de middelbare school, het is een stuk lastiger om vol te houden dat vroegtijdige schoolverlaters doorgaans een glansrijke loopbaan in de letteren wacht. Causale verbanden legt de wetenschap hier jammer genoeg niet.

Bovendien, en dan maakt Nop Maas het wel erg bont, noteert de biograaf op bladzijde 114: ‘Het is niet onmogelijk dat [broer] Karel – onbewust – een rol heeft gespeeld in Gerards mislukking op het gymnasium.’ Waarna hij ruimhartig citeert uit Een gegeven relatie. Over broers en zussen, een populair-wetenschappelijk psychologieachtig boek van Frits Boer uit 1994. En dat boek handelt niet over de gebroeders Van het Reve. Met ‘niet onmogelijk’ en ‘onbewust’ en een populair boekje dat niet over Reve gaat, begeeft Nop Maas zich hier wel erg op dun ijs. Het is de methode die wij kennen van de Story en de Privé. Onachterhaalbare gegevens koppelen aan uitspraken die mijlenver van het onderwerp wegglijden. Geen wonder dat hij dan ook met zijn afsluitende zin diep door datzelfde ijs zakt: ‘dat Karel goede schoolresultaten behaalde en zijn klas als een voorbeeldklas werd voorgehouden aan jongeren, zou bij Gerard – aan wie jaloezie bepaald niet vreemd was – juist tot een afkeer van het gymnasium geleid kunnen hebben’ (cursivering van mij). Ziet u Hummie van der Tonnekreek en Wilma Nanninga al met Maas mee glunderen?  

Indachtig de wijze woorden van Hugo Claus, geeft het natuurlijk allemaal niet zo vreselijk veel. Fouten hebben niet het minste belang, net zo min als speculaties, suggestieve boodschappen en andere aan de roddelpraktijk ontleende vaardigheden. Nop Maas doet maar – en dat doet ie dan ook. Feit blijft dat Reves treurige verblijf op het Vossius van een onbeduidende ondergeschiktheid is. Tot iemand mij van het tegendeel kan overtuigen, blijf ik de mening toegedaan dat De avonden of Werther Nieland of zelfs een ergerlijk triviaal boek als Lieve jongens ook geschreven zouden zijn (en zelfs precies zo geschreven zouden zijn) als de schrijver niet eens in de buurt van dat vermaledijde Vossius geweest was.

 

Wat verderop, het is inmiddels 1948 en Reve heeft dan verkering met Hanny Michaelis, verhaalt Maas over een vakantie in Groet. En dan staat hij uitgebreid stil bij een zeker voorval: Reve en Michaelis staan voor een etalage waarin een motor tentoongesteld staat. Terwijl Reve zich uitput om alle technische kwalificaties van de motor op te sommen, wijst Michaelis op een kat die daarnaast ligt te slapen. ‘Ach, kijk eens die schat.’ Waarop Reve pesterig reageert met: ‘Hanny wil liever dom blijven,’ woorden die Maas het predikaat ‘historisch’ meegeeft. Waarom? Wellicht omdat Reve ze nog vaak zou uitspreken tegenover zijn vriendin? Ik denk het. Maar voor de argeloze lezer ontpopt zijn held zich hier (net als op talloze andere plekken) als een mispunt die als privé-persoon een stuk minder groot was dan als schrijver. Dat geeft niks en het is voor sommige adepten vast ook heel leuk om te weten. Maar ik vind er De avonden geen syllabe beter van worden. Ook niet veel slechter trouwens, al hinderen sommige trivialiteiten mij ineens wel iets meer.

 

Reves hooggeleerde broer Karel beweerde in zijn Huizingalezing in 1978 waarschijnlijk zeer terecht dat literatuur over het algemeen geschreven is om gelezen te worden zonder allerhande geleerde uitleg. Ook de grappige behoefte van sommige analisten om achter elk literair feit een biografische werkelijkheid te zoeken, stelde hij aan de kaak. De reden is nogal helder: te veel biografische kennis leidt vreselijk af van waar het eigenlijk om gaat. Om de boeken. Maar misschien vindt Nop Maas dat zelf ook wel. In ieder geval  laat hij op een aantal plekken heel mooi zijn licht schijnen op het triviale van zogenaamde biografische feiten. Zo haalt hij op enig moment een brief aan die Reve in december 1985 schreef aan Erik Lieshout. Op een zomerkamp in 1935, Reve was toen twaalf, had hij een jongen ontmoet, die hij in die brief omschrijft als ‘een prins, een zeeprins, een prins incognito, een arme prins of een Geheime prins, maar altijd een Prins. Een geducht, donker, licht gebogen, naar verhouding heel iets te groot, maar zeer kuis en schuldeloos Jongensdeel, met een hartverscheurend lief tuitje.’ ‘Reve wist niet,’ becommentarieert Maas vervolgens, ‘hoe de jongen heette en waarschijnlijk had hij geen woord met hem gewisseld.’ En ook Reve geeft in genoemde brief toe: ‘Ik heb hem nooit naakt gezien.’ Wat de waarde van al dan niet correcte biografische feiten denk ik afdoende duidt.

 

Er komen in 2010 nog twee delen. We hebben nog minstens 1500 dichtbedrukte en hoogst informatieve pagina’s te goed. Want Nop Maas weet alles en dat wil hij graag met ons delen. Hoeveel homo-erotische passages gaat Maas nog koppelen aan belevenissen uit de werkelijkheid die ooit plaatsgevonden zouden kunnen hebben? Uit welke gesprekken met liefdevolle of haatdragende nabestaanden zal hij nog citeren? Ik weet het niet. Maar zo lang een heel bataljon revianen, met een tv-persoonlijkheid als Matthijs van Nieuwkerk voorop, Maas blijft huldigen bij elk deel en alle appendices die nog over de volksschrijver gaan verschijnen, blijft het circus waarschijnlijk nog wel even draaien.

En ikzelf? Vroeger voelde ik mij altijd een beetje betrapt, als ik bij de kapper na veel aarzeling een tijdschrift van de leestafel nam. Tegenwoordig hoeft dat niet meer. Nu ligt daar gewoon Kroniek van een schuldig leven, de Privé voor intellectuelen. Publicist Theodore Dalrymple beweert ergens dat het onbestudeerde leven het leven niet waard is. Nou, alleen daarom al is de biografie van Nop Maas van belang: opdat Reve niet voor niets heeft geleefd. En ikzelf (ik herhaal de vraag)? Ik ga deel 2 en 3 ongetwijfeld kopen én lezen – zij het met enige reserve, maar dat zal Maas minder hinderen dan ik goed voor hem acht.

 

Iets heel anders: wist u dat Matthijs van Nieuwkerk ooit als student Nederlands Reve mocht interviewen en dat Reve hem aan het eind van het gesprek een zojuist afgeknipte teennagel als relikwie meegaf, op voorwaarde dat de in des schrijvers ogen mooie jongeling Matthijs deze nagel even in de mond zou nemen? Van Nieuwkerk beweert te pas en te onpas dat hem dat te ver ging. En of hij echt geweigerd heeft, dat weet ik natuurlijk niet. Maar het is een feit dat hij de nagel uiteindelijk wel mocht meenemen en dat het kleinood sedertdien in een potje zijn werktafel siert. Met het interview kwam Van Nieuwkerk vervolgens binnen bij Het parool, alwaar hij binnen de kortste keren opklom tot hoofdredacteur. Want als een volksschrijver ergens zijn nagels inzet…

Ach, het is een verhaal van zeer ondergeschikt belang. Het zegt in ieder geval niets over de journalistieke kwaliteiten van Matthijs van Nieuwkerk en nog veel minder over het oeuvre van Gerard Reve. Maar dat wil niet zeggen dat we het triviale voorval daarom niet in het derde deel van Maas’ biografie zouden kunnen tegenkomen.

 

Nop Maas: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. 1: De vroege jaren 1923-1962

G.A. van Oorschot, Amsterdam (2009). 730 blz.