Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


Een dagje naar Oostmalle  |

 

Hoeveel Nederlandse literaturen bestaan er? Eentje, dacht ik vroeger altijd. Maar dat is niet zo. Het zijn er twee: de Noord-Nederlandse en de Zuidelijke variant. De grens tussen die twee komt vrij nauwkeurig overeen met de landsgrens tussen Nederland en België. Natuurlijk, er bestaat enig grensverkeer tussen de twee literaturen, maar veel stelt dat niet voor. Vlamingen hebben vanzelfsprekend van Harry Mulisch en Arnon Grunberg, Hella Haasse en Joost Zwagerman gehoord. En van Thomas Rosenboom, zoals ik onlangs tot mijn verrassing mocht ervaren. En elke Nederlandse lezer kent Hugo Claus en Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts en Herman Brusselmans. Maar wie kent de prachtige roman Je onbekende vader van Jan Emiel Daele? Schaam u niet. Geen Vlaming kent A.F.Th. van der Heijdens Asbestemming.

Studenten Nederlands (Germaanse filologie heet dat daar) aan Vlaamse universiteiten weten alles van het nogal belangrijke tijdschrift Van nu en straks. Maar van Forum hebben ze nog nooit gehoord. In Nederland is dat precies andersom.

In 1990 verscheen de eerste druk van Ton Anbeeks standaardwerk Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985. En daarin ontbraken tot verbijstering van velen voor het eerst de Vlamingen. Want die literatuur, die was toch ook van hen? (Trouwens, er ontbreekt wel meer. Hierboven stelde ik al dat Hella Haasse gekend is bij Nederlanders en Vlamingen gelijk. Welnu, Anbeek kent haar niet, getuige zijn literatuurgeschiedenis.) Aan het eind van het boek heeft Anbeek een verklaring opgenomen, waaruit blijkt dat Nederland en Vlaanderen er twee nogal verschillende letterkundes op na houden. En waar Haasse een pijnlijke lege plek vormt in zijn boek, heeft hij voor wat betreft onze zuiderburen wel gelijk. Er valt aan weerskanten van de grens nog veel te leren. Inderdaad, aan weerskanten. Want overviel Anbeek met zijn aanpak nogal wat traditioneel ingestelde Nederlandse literatuurhistorici, zijn boek was niet zonder precedent. Al uit 1983 stammen de twee kloeke delen Literatuur uit een serie die Culturele geschiedenis van Vlaanderen heet.

 

Gelukkig is de Vlaming doorgaans leergieriger dan de Nederlander. Vraag me niet waarom dat zo is; het papier van twaalf Leydraden zou niet volstaan om de redenen op te sommen. En het is die leergierigheid die afgelopen zomer een genootschap van Kempische schrijvers ertoe bracht mij uitnodigen om hen op hun jaarvergadering in het fraaie kasteel van Malle eens bij te praten over de staat der Noord-Nederlandse letteren. De vergoeding was alleszins redelijk en toen men mij ook nog uitnodigde om als eregast aan te zitten aan het diner waarmee de vergadering werd afgesloten, stond niets een tocht naar het zuiden mij meer in de weg.

Ik trof in Malle een prettig gezelschap, al naderde de gemiddelde leeftijd die van het kasteel tot op enkele decennia. Er waren maar een paar vrouwen. Vrijwel alle leden hadden gehoor gegeven aan het verzoek van het bestuur om de genootschapsspeld zichtbaar op het revers te dragen. En hoewel het weer tamelijk warm was, waren de pakken donker of grijs, net als de baarden. Na de voorzitter en de penningmeester werd het woord gegund aan mijn collega-spreker, de heer Ludo Simons, die niet alleen hoogleraar is in het een en ander, maar die ten tijde van de christen-democratische suprematie ook nog belangrijke adviseurschappen had bekleed. De genoten waren het met hem eens dat het onder paars maar matig met het culturele erfgoed was gesteld.

Dat de leergierigheid der verzamelde Vlamingen niet alleen de Noord-Nederlandse letteren betrof, bleek toen professor Simons van wal stak. Hij legde op verzoek van het bestuur de aanwezigen eens haarfijn uit wat er zich de afgelopen vijfentwintig jaar in de Vlaamse letteren had afgespeeld. Want ook dat was de meesten even ontgaan.

 

Na zijn boeiende vertoog was het mijn beurt. Ik bracht de aanwezigen keurig op de hoogte van het onmogelijke van mijn opdracht. Om de Noord-Nederlandse schrijvers te bespreken in het korte bestek van drie kwartier, zou ik mij moeten beperken tot de auteurs die mij bij een eerste brainstorm te binnen waren geschoten. En dan nog zou ik maar twintig seconden per schrijver hebben. Ik zou dus vooral veel niet vertellen, waarschuwde ik mijn gehoor. Om de aversie tegen “dien ‘Ollander” niet verder aan te wakkeren, vertelde ik eerst een anekdote die ik vrijdags daarvoor in De Volkskrant had gelezen: de in Antwerpen woonachtige Nederlandse dichter Benno Barnard – zoon van Guillaume van der Graft – had zich beklaagd over het belabberde niveau van de boekhandels in België. Waarop een Belg repliceerde dat er toch in ieder geval één boekhandel in Antwerpen was die het gehele oeuvre van Barnard voerde. En dat was De Slegte.

Vervolgens voerde ik mijn gehoor langs de toppen van vijfentwintig jaar Noord-Nederlandse letteren. Van de realisten uit de jaren zeventig, via de Revisor-groep (kleine excursie naar de rel rond Mystiek lichaam van Frans Kellendonk) en de feministen naar de jaren tachtig, die niet alleen grootheden als De Moor, Möring, Noordervliet en Van Dis opleverden, maar ook dichters (Beurskens, Kusters) en andere Maximalen (Michel, Dalstar). De eerste neorealisten (Zwagerman, de vroege Grunberg), de eerste allochtonen (Bouazza, El Bezaz) en de eerste rappers (Van Duijnhoven, Ozon) schudde ik met hetzelfde gemak uit mijn mouw, als mijn lijstje met boodschappen zaterdags bij de buurtsuper. Ze wilden een kwart eeuw literatuur in drie kwartier? Dan kregen ze een kwart eeuw literatuur in drie kwartier.

Ik eindigde mijn referaat met een uitgebreide (wel vier minuten!) behandeling van de interessante verhouding tussen Arnon Grunberg en Marek van der Jagt, waarbij ik mijn sprakeloze toehoorders uitlegde waarom je Van der Jagt niet simpelweg als een pseudoniem mag beschouwen. En omdat de voorzitter tegen die tijd al een paar keer een vervelend kuchje had laten horen, rondde ik na iets meer dan vijftig minuten af met een opsomming van wat ik nog meer had willen zeggen, maar wegens tijdsgebrek niet deed. Daarna zweeg ik. En snakte naar adem. Tien weken Tilburgs college in drie kwartier. Dit was topsport. ‘Goed gedaan, jongen,’ fluisterde ik zacht.

Toen kwam het applaus. Ikzelf houd het op “oorverdovend” maar sommige andere aanwezigen kozen liever voor “beschaafd”.

 

Hoe het ook zij, na mij was de wijn aan de beurt, die buiten op het terras werd geserveerd. Een paar genoten zochten daarbij mijn warme gezelschap op. Een steeds terugkerende vraag was, waarom ik niets over Thomas Rosenboom had gezegd. Nou ben ik in een overmoedige bui ooit eens aan Gewassen vlees begonnen, met als meest concrete resultaat dat ik besloot dat het oeuvre van Rosenboom voor mij tot in lengte van jaren gesloten zou blijven. Net als dat van Voskuil en van Connie Palmen. Ik heb ze alledrie een faire kans gegeven, maar geen van drieën kon mij langer dan zesendertig bladzijden boeien. Dat ligt ongetwijfeld aan mij. Maar ik ga er nou eenmaal van uit dat lezen wel plezierig moet blijven. En de volle 732 bladzijden gewassen vlees uitlezen, terwijl er nog zoveel moois op de wachtlijst staat, kan ik in ieder geval niet over mijn hart verkrijgen.

‘Ja, ja, Rosenboom,’ hield ik de boot dus maar een beetje af. ‘Er is ook zo veel, hè.’ En ik richtte mij op een willekeurige passant. ‘Vond u het een beetje aardig?’ hengelde ik naar complimenten. ‘Ja hoor,’ antwoordde de passant welwillend. ‘Maar ik vroeg me wel af waarom u niets over Thomas Rosenboom hebt gezegd.’ En ik begon een lichte aandrang te voelen om het over het terras uit te schreeuwen. ‘Wie is toch die Rosenboom waar jullie het allemaal over hebben?!’ Maar dat deed ik niet, want er moest nog gedineerd worden.

Met een tweede glas wijn zocht ik daarom het gezelschap van de voorzitter en de penningmeester op.

‘Was het naar tevredenheid?’ mompelde ik zo achteloos mogelijk. Waarop beide heren de lippen tuitten. Even was ik bang dat ze gingen zoenen. Maar het tuiten maakte samen met het daaropvolgende langzame knikken slechts deel uit van hun zuinige instemming.

‘Tja, de tijd was nogal kort, hè. Ik heb veel onbesproken moeten laten.’

Ze bleven knikken.

‘Thomas Rosenboom, bijvoorbeeld,’ verloochende ik mijzelf. Ergens in de verte kraaide een haan. Maar de twee bestuursleden spraken in koor: ‘Ja, misschien was het daarvoor ook wel wat kort.’ Waarna een gedienstige kwam melden dat de heren aan tafel konden.

Mijn maaltijd, er was nou eenmaal voor mij betaald, nuttigde ik die middag aan een klein tafeltje onder de fraaie antieke trap. En thuis las ik de flaptekst van Gewassen vlees er nog eens op na. ‘Klassiek vertakte intrige.’ ‘Stuwende plot.’ ‘Aangrijpende, hilarische of subversieve scènes.’ Ik had er dat allemaal niet uitgehaald. Maar waarschijnlijk zouden die paar woorden uitgeverstekst wel genoeg geweest zijn voor eeuwige en internationale roem.