Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S 
 

 

 


De omweg van een blinde filosoof  |

 

Mooie beelden op het journaal. Een licht gesluierde vrouw keert terug naar haar streng islamitische vaderland en wordt op het vliegveld ingehaald door duizenden juichende vrouwen.  Zij willen die ene aankomende vrouw feliciteren met het verkrijgen van de Nobelprijs voor de vrede. En ze hopen dat met die uitverkiezing ook het onvrije tij voor henzelf zal keren. Uit het feit dat ze daar zo met zijn allen staan, uitzinnig van vreugde, mag de kijker opmaken dat hun wensen spoedig vervuld zullen worden.

 

Maar hoe blij was Zuid-Afrika met de Nobelprijs voor literatuur? Want hoewel die prijs altijd aan één schrijver wordt toegekend, pikt de rest van het land er meestal toch ook wel een graantje van mee. Al is het maar een moreel graantje. Het is onze literatuur die bekroond is. Daarom is met name in België de winst van John Coetzee toch ook weer een beetje het verlies van Hugo Claus geworden. Blijkbaar is diens oeuvre, dat in omvang toch een veelvoud is van dat van Coetzee, nog steeds niet Nobelfähig. En dat geldt mutatis mutandis voor de gehele Nederlandstalige literatuur. Want het is natuurlijk niet alleen Claus die de prijs niet heeft gekregen. Ook Mulisch heeft hem niet. En Nooteboom al evenmin. Kortom, wij hebben hem niet. En hoewel dit jaar niemand de toekenning aan Coetzee onterecht noemt (dat is wel eens anders), blijft Nederland toch weer een tikje bedremmeld en verongelijkt buiten de poort van de literaire hemel staan. Binnen vieren de Zuid-Afrikanen feest. En dansen met de Polen, de Mexicanen, de Hongaren, de Engelsen en de Chinezen. Die, net als de Zweden zelf natuurlijk, inmiddels wel voet aan de grond hebben in het godenrijk der bellettrie.

De vraag dringt zich op, of wij ons terecht verongelijkt voelen. Of is onze menig over de enorme kwaliteit van onze eigen literatuur vooral gebaseerd op zelfoverschatting? Weten wij überhaupt wel aan welke eisen de Grote Letteren moeten voldoen, voordat ze echt Groot zijn? Ik ben bang van niet. Nederlanders en Vlamingen hebben er geen flauw benul van wanneer een schrijver alleen maar goed is, en wanneer hij van wereldformaat is. Het beste bewijs daarvoor zijn wel de zogenaamde ‘grote drie’. Hermans, Mulisch en Reve. Die vormen samen met de Vlamingen Boon en Claus al jarenlang de maat, waarlangs de rest gelegd wordt om op enigszins objectieve wijze het niveau te bepalen. Beter dan die vijf heb je ze gewoon niet.  Alle anderen zijn per definitie gedoemd om de literaire klassenstrijd te verliezen. Haasse? Wolkers? Kellendonk? Allemaal buitengewoon begaafde auteurs, maar… nee, ze zijn toch nét geen Hermans of Reve. Ik bezondig me zelf ook aan dit zelfvervullende leiderschap door mijn colleges over naoorlogse letterkunde nadrukkelijk rond bovengenoemd vijftal op te bouwen. Allerlei schrijvers en stromingen komen aan bod, maar voor de edele vijf ruim ik toch een iets prominentere plaats in dan voor de rest. Terecht?

 

Een jaar of tien, vijftien geleden hoorden wij ineens van de ongekende buitenlandse, vooral Duitse, populariteit van Cees Nooteboom. En wij zeiden: “Nooteboom? Da’s toch die man van die reisverhaaltjes? Die vroeger in de Avenue schreef en die een verhouding had met het zangeresje Liesbeth List? Wat zien die Duitsers toch in zo’n man? En wij trokken de conclusie dat Duitsers blijkbaar minder verstand van literatuur hadden dan wij. Goed, ze waren inmiddels kind aan huis bij de Zweedse Academie, maar dat zei niets. Ze vonden Nooteboom een groot schrijver en daarmee diskwalificeerden zij zich als kenners van de schone (althans de schoonsté) letteren. Hadden zij nog nooit van Claus gehoord? Was Mulisch niet tot de Teutonen doorgedrongen?

Ja, die schrijvers kenden ze wel. En toch gaven ze de voorkeur aan die Nooteboom. Van dat zangeresje.

Mijn eigen ogen hadden in 1991 al open moeten gaan. Toen schreef Nooteboom met Het volgende verhaal het beste boekenweekgeschenk ooit. Onderschat, natuurlijk, want in lijstjes van goede cadeauboekjes kom je het zelden tegen. Dat van Mulisch uit 2000 wel. Andere boeken van Nooteboom, De omweg naar Santiago (1992), De filosoof zonder ogen (1997), bevestigden mijn positieve indruk. Maar vooroordelen zijn hardnekkig: Allerzielen (1998) staat nog steeds ongelezen in de kast. Gekocht en vergeten, want ach, Nooteboom hè?

Inmiddels heeft hij onlangs weer eens een belangrijke internationale prijs gewonnen. De aandacht daarvoor werd een beetje weggedrukt door Coetzee’s Nobelprijs. Maar de Oostenrijkse lauweren voor Europese schrijvers blijken wel degelijk prestigieus te zijn. De jury roemde Nooteboom trouwens niet alleen als schrijver, maar ook als denker. Ónze Nooteboom. Ik ga vanavond nog in Allerzielen beginnen. Dan heb ik het in ieder geval voor 2 november uit.

En mocht er ooit een Nederlander of Vlaming die Zweedse prijs winnen, dan zal hij niet Claus heten en zeker niet Mulisch. Maar Nooteboom. Want alle signalen waar wij blind voor zijn, worden in Zweden wél opgevangen.

Intussen doet Nederland er goed aan om ook zo’n Europese prijs in het leven te roepen. Het hoeft niet eens een dure te zijn. Voor zo’n 15 à 20.000 euro komt iedere schrijver naar Amsterdam, desnoods per KLM. Maar intussen zou het ons wel dwingen om eens een beetje beter over de grens te kijken. En dan nog eens wijs het hoofd te schudden als er iemand roept dat de Nederlandse literatuur de beste ter wereld is.