Het leven en de werken

jan-dejong.nl

THUIS  |  ESSAYS  |  500 WOORDEN  |  COLUMNS  |  RECENSIES LTM  | JAN DE JONG OP CUBRA.NL  |  FOTO'S  | 

 


Een hooggeleerde humorist. Spot en zelfspot van P. van Limburg Brouwer   |

 

Na de onstuimige Middeleeuwen is er in het calvinistische Nederland een eeuw of wat overheen gegaan voordat er weer echt wat te lachen viel in de letteren. Als men zich in de tussentijd al eens een kwinkslag veroorloofde, dan diende die zich vooral aan in het daartvoor bestemde genre, het blijspel, en dan moest er nog iets van te leren zijn ook! De verlichting ten spijt heeft het tot in de negentiende eeuw geduurd voordat literatoren erachter kwamen dat je overal wel om kon lachen.

Met de komst van de romantiek (of het liberalisme, of de maatschappelijke emancipatie van de burger, wie zal het zeggen) zien we hoe humor zich bijna van het ene op het andere moment over de meest uiteenlopende literaire genres verspreidt. De meeste voorbeelden zijn bekend: de gedichten van De Schoolmeester, waarvan er enkele zo gewaagd (en grappig!) waren dat Jacob van Lennep ze niet eens in het verzameld werk durfde op te nemen, de ‘academische poëzie’ van Piet Paaltjens, de fraaie en soms genadeloze observaties van het burgerdom in Hildebrands Camera Obscura en de messcherpe maar zeker niet van humor gespeende kritieken van Conrad Busken Huet.

Tussen al deze negentiende-eeuwse humoristische teksten speelde P. (Petrus) van Limburg Brouwer (1795-1847) een bijzondere maar zeer ten onrechte vergeten rol. Van Limburg Brouwer was een man met vele talenten. Al op zijn zestiende ging hij in Leiden geneeskunde studeren, promoveerde daar op zijn eenentwintigste, waarna hij besloot dat hij toch meer belangstelling had voor de letteren. Vijf jaar later promoveerde hij voor de tweede keer, ditmaal op een proefschrift over Sophocles. In 1825 werd hij hoogleraar in Luik en na de Belgische afscheiding aanvaardde hij in Groningen een hoogleraarschap in geschiedenis en klassieke talen. Daar schreef hij behalve een aantal publicaties binnen zijn vakgebied ook enkele romans.

Nu was de roman in het begin van de negentiende eeuw een betrekkelijk jong genre. Over het algemeen houden wij de Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken uit 1782 aan als de eerste ‘moderne’ roman in de Nederlandse literatuur. De beide dames hadden daarom nog wel wat uit te leggen aan hun lezers. Zij richtten zich in hun inleiding niet voor niets tot hun nieuwe publiek van ‘Nederlandsche Juffers’. Maar zij schiepen hiermee, wellicht onbedoeld, ook een nieuwe conventie: het gebruik om een roman met enige inleidende woorden toe te lichten, een gewoonte die zich er in de revolutionaire negentiende eeuw bij uitstek toe leende om bespot te worden.

Bijvoorbeeld door Van Limburg Brouwer in zijn roman Charicles en Euphorion uit 1831. In de ‘Voorrede’ ontmoet de schrijver in Smyrna een jonge Griek die, behalve een succesvol zakenman, een kenner is van de Griekse klassieken. Deze Spiridion Korallides is in het bezit van een uniek manuscript dat de schrijver graag wil bestuderen, maar omdat Korallides deze onbekende Hollander niet verder vertrouwt dan het beeld van hem toestaat, laat hij de schrijver niet graag met zo’n kostbaar document alleen. De twee komen de volgende oplossing overeen:

 

Ik was een weinig beschaamd, dat ik het niet zoo terstond lezen kon, en wist dit niet beter te verhelpen, dan door wat meer belangstelling te veinzen en mijn vriend Korallides te verzoeken, of ik het wel eens op mijn gemak zou mogen lezen. Dit had eenige meerdere zwarigheid in; want hij zou het voor geen geld uit zijne handen gegeven hebben. Eindelijk vonden wij er op uit, dat ik gedurende eenige morgens op zijne kamer zou komen, terwijl hij zijne zaken ging verrichten, en dat hij dan den sleutel van zijne kamer in zijn zak zou steken. Ik bood hem dit middel zelf aan; want daar ik wist, dat zijne landslieden groote dieven zijn, zoo kon ik hun ook niet kwalijk nemen, dat zij andere menschen niet veel vertrouwden.

 

Het zijn, natuurlijk komisch bedoeld, kenmerkende woorden die 180 jaar later nog nagalmen in de Europavisie van de PVV. Nu denk ik niet dat Van Limburg Brouwer in zijn tijd al preludeerde op de uitgangspunten van een politieke partij uit het begin van de eenentwintigste eeuw (en heb, andersom, geen directe aanwijzingen dat de beginselcommissie van de PVV gebukt gaat onder enige kennis van de negentiende-eeuwse Nederlandse letteren). Daarom lijkt het mij gepast om snel over te stappen op een ander voorbeeld, dat Van Limburg Brouwer zeker niet uit welke politieke hoek dan ook haalt.

In 1838 verschijnt zijn roman Diophanes. Net als zijn voorganger een verhaal dat in de klassieke oudheid speelt – het bloed kruipt waar het niet gaan kan, nietwaar? – en opnieuw een boek met een ‘Voorrede’. Hierin doet Van Limburg Brouwer wat geen politicus, van links of van rechts, uit zijn of uit onze tijd, ooit zou doen: de draak steken met zichzelf. Een hoogleraar die romans schrijft, daar moet immers iets mee aan de hand zijn:

 

Er was een tijd, waarin een professor zich wel zou gewacht hebben te doen hetgeen ik nu doe, onbeschaamd zijn naam zetten voor een – roman; voor een roman in de landtaal geschreven…, want in het latijn, dat is iets anders, daar deze taal eene buitengemeene geschiktheid heeft om niet alleen verdichte verhalen, maar zelfs de grootste beuzelingen als zaken van belang te doen voorkomen. De proeven daarvan zijn menigvuldig en elken liefhebber der oude letteren genoegzaam bekend. Maar thans zijn wij reeds zoover gevorderd dat een hoogleeraar, iemand die dagelijks latijn spreekt en over de gewichtigste onderwerpen, zelfs in zijne moedertaal over beuzelingen schrijven mag.

 

Het moet inderdaad niet gekker worden, maar dat wordt het wel! Van Limburg Brouwer is zich van nog een tweede risico bewust. Het boek kan dan wel vol ‘beuzelingen’ staan, dat neemt niet weg dat een deel van het lezerspubliek toch wat terughoudend kan zijn bij de aankoop, als zij zien dat het door een heuse professor is geschreven. Of in de woorden van de auteur: ‘[…] zoo zou ’t ook wel eens kunnen wezen dat er lezers en vooral lezeressen gevonden werden, die […] vreezen dat zulk een roman te geleerd zou zijn’.

Het is natuurlijk met name dat ‘en vooral lezeressen’ dat op de lachspieren moet werken, te meer waar Wolff en Deken een halve eeuw eerder de roman specifiek voor een vrouwelijk lezerspubliek bestemden. Hun lezeressen werden destijds aangespoord om de roman toch vooral wel serieus te nemen. Bij hen geen beuzelingen, maar verheven zaken als ‘natuurlijke’ deugdzaamheid.

Na de ‘Voorrede’ ontspint zich in Diophanes een vermakelijk verhaal vol anachronismen. De lezer maakt kennis met een jongeman (inderdaad Diophanes) die aan een immer afwezige Demeas verslag doet van zijn lotgevallen. Een reisverhaal dus, dat Diophanes al meteen in het labyrint op Kreta brengt. In zijn gezelschap bevinden zich twee vrienden die er de weg zeggen te weten en die bijvoorbeeld de exacte plaats kunnen aanwijzen waar Theseus de Minotaurus versloeg. Maar terwijl één van de vrienden het geloof in Zeus hoog houdt, is de andere onmiskenbaar een kind van de Verlichting. Deze Thrasycles spot met de goden en trekt ook het bestaan van de Minotaurus in twijfel. Dat leidt ertoe dat hun gelovige vriend er op een gegeven moment vandoor gaat en Diophanes niets anders rest dan Thrasycles te volgen op zoek naar de uitgang. En daar gaat het mis. Het zelfvertrouwen van de ‘wijsgeer’ Thrasycles daalt met het kwartier.

 

Thrasycles zag een oogenblik rond, met een gelaat dat mij genoeg te kennen gaf wat er in zijn binnenste omging, en zich, eensklaps aan het gevoel overgevende, dat reeds zoo lang zijne geheele ziel vervulde, zette hij zich op een der steenen neder, bedekte zich met zijn mantel en begon bitterlijk te weenen.

Ik zag wel dat ik zijn aanspraak op topographische kennis nu niet meer behoefde te ontzien.

 

Hier lijkt niet langer de classicus aan het woord, maar eerder een nauwe verwant van Rhijnvis Feith. Maar ook dat is bedrieglijke schijn. Het is de reactie van Diophanes die het hem doet. Geen begrip voor de treurende vriend – die met zijn huilpartij al ruimschoots afstand doet van het predicaat ‘wijsgeer’ – maar eerder de vaststelling dat hij op deze manier niks aan zijn begeleider heeft.

 Met de laatste zin uit het citaat neemt Van Limburg Brouwer (voor zijn lezerspubliek) niet alleen hilarisch afstand van het klassieke ideaal van de filosoof als gelijkmatige geest (een ideaal dat aan het eind van het boek nog een gevoelige knauw zal krijgen), maar ook van de ideeën van de ‘gevoelige verlichting’ en vroege romantiek. Zijn belezen tijdgenoten zullen hiervan gesmuld hebben. Net als twee jaar later van de Camera Obscura, waarmee Diophanes niet alleen in toon overeenkomt.

Ook de goede neus van de verteller voor vrouwelijk schoon lijkt erg op die van Hildebrand. Lees bijvoorbeeld de fysieke en dienstbare kwaliteiten van Chelidonis in Diophanes en leg die eens naast die van Mooi Keetje uit de Camera. Diophanes denkt in eerste instantie nog met de godin Artemis of met een nimf van doen te hebben, maar meteen daarna volgt de beschrijving van haar aardse schoonheid:

 

Een jeugdige, rijzige, schoon gevormde vrouwelijke gedaante […], de voeten geschoeid met voetzolen, die met roode linten om de enkels bevestigd waren, maar voorts zowel de beenen van de knieën af, als de armen tot de schouders toe, geheel zichtbaar, de blonde lokken over de ooren naar achteren gestreken, of liever door de beweging wegwaaiende […] volmaakt dat maagdelijk trotsche, dat beminnelijk hooghartige, die verheven ernst boven de wenkbrauwen en om de kleinen korallijnen mond.

 

De lyrische opsomming gaat nog even door en wordt in de volgende hoofdstukken zelfs nog uitgebreid. Hier presenteert Diophanes ook zichzelf zeer anachronistisch als romantische held. Hij lijkt namelijk ineens erg op de verteller van ‘Het Noordbrabantsche meisje’ uit de Camera Obscura:

 

Keetje, het fijnst, het netst besneden bekje van alle Noordbrabantsche meisjes, die ik onder eenigen stand gezien heb. Keetje, met het rankste figuurtje, de liefste voetjes, de kleinste handjes, met kuiltjes op iederen vinger; dat blanke gezichtje, die groote blauwe oogen, met dien doorgringenden opslag.

 

De aardigheid zit er in beide verhalen natuurlijk in dat het niks wordt tussen die hoteldebotel verliefde jongelingen en de door hen aanbeden meisjes. Alleen al om de mooie, lichte, warme beschrijving van Diophanes’ eerste liefde, verdient Van Limburg Brouwer op zijn minst een plaats naast Hildebrand. Maar omdat ik het anachronisme als humoriserend wapen wel wat punten extra waard vind, zouden een paar treden hoger hem mijn inziens ook niet misstaan.

 

 

Literatuur

Van Limburg Brouwer, P., Charicles en Euphorion, Leiden z.j.

Van Limburg Brouwer, P., Diophanes, Leiden z.j.

Van Limburg Brouwer, P., Het leesgezelschap te Diepenbeek, Leiden z.j.

(De romans van P. van Limburg Brouwer zijn, zoals dat bij vergeten werken gaat, alleen nog met enig geluk antiquarisch te vinden. Ze zijn wel te downloaden via dbnl.nl)